dinsdag 24 januari 2012

De werkelijk compleet subjectieve TOP 40 van 2011

Eerst een paar dienstmededelingen. Elk jaar in december stelt elke medewerker van de rockredactie van De Morgen een lijst samen met zijn favoriete platen van het afgelopen jaar. Die worden dan naast elkaar gelegd, en volgens een eenvoudig mathematisch systeem stellen we vervolgens de top 40 van De Morgen samen. We drukken geen individuele lijstjes af, enerzijds omdat ik vind dat je beter als ploeg naar buitenstapt, anderzijds omdat het anders al gauw naar egotripperij begint te ruiken. Je kent dat wel: journalisten die het er vooral om te doen is hun geloofwaardigheid intact te houden door hun lijstjes vol  obscure Ijslandse bands te stoppen waar niemand -niet zelden terecht- ooit van gehoord heeft. 
Maar een blog is geen krant, en dus hierbij: mijn werkelijk compleet subjectieve lijst met favoriete cd's van 2011. Die is alweer enigszins anders dan de de top die ik vorige maand heb ingediend, en de ervaring van de afgelopen jaren leert dat ik de volgende maanden vast nog een paar platen zal ontdekken die er ook in hadden gemoeten. Dat geldt alvast voor + van Ed Sheeran, al uit in de UK maar in België pas eind februari op de markt. Verder: de volgorde is niet echt bindend. In tegenstelling tot voetbal, petanque of binge drinking is popmuziek geen competitie, dus de rangschikking is wel indicatief maar geenszins absoluut.  





1.     Build a rocket boys! (elbow)
Toen Elbow met haar vorige cd de Mercury Prize won, kreeg de groep een staande ovatie van al de andere genomineerde bands, omdat ook die vonden dat het uit Manchester afkomstige gezelschap de doorbraak na bijna tien jaar in de marge wel verdiend had. Met Build a Rocket Boys!, de vijfde cd intussen, onderstreept Elbow dat het succes de drang om te vernieuwen niet in de kiem heeft gesmoord. De emotionele stem van zanger Guy Garvey doet meer dan eens aan Peter Gabriel denken, en de lange, sierlijke songs nemen rustig de tijd om helemaal open te bloeien. Garvey haalt bitterzoete herinneringen op aan een ver vervlogen jeugd, en raakt daarmee kennelijk een gevoelige snaar bij het grote publiek. Bovendien krijgt de groep het voor elkaar om een gelaagd, groots, glorieus geluid op te bouwen zonder te raken aan de intieme sfeer van de songs. Na jarenlang een cultband te zijn geweest waarvan de platen telkens lovend besproken werden, maar nooit de oversteek naar het brede publiek konden maken, heeft Elbow inmiddels zijn plaats in de mainstream opgeëist. Dat wil niet zeggen dat de band er haar eigen identiteit bij heeft ingeschoten: Built a rocket boys! is een eigenzinnige, kunstige en persoonlijke rockplaat. Zonder pretentie, maar met een hart dat bonkt van verlangen. Een nieuw meesterwerk, quoi. (Fiction/Universal)


2.     21 (Adele)
Eén blik op de charts en je kan er niet om heen: popmuziek blijft in essentie een jong medium, dat was altijd zo. Chuck Berry had het vijftig jaar geleden al over 'Sweet Little Sixteen' en ook nu zijn muzikanten doorgaans oud als ze de vijfentwintig voorbij zijn. De Londense Adele Adkins werd in 2008 meteen als een talent binnengehaald. Er waren natuurlijk precedenten. Joss Stone en, belangrijker nog, Amy Winehouse hadden de liefde voor klassieke oude soulmuziek weer aangewakkerd, maar de ene lag volop in de clinch met haar platenfirma en de andere was intussen zodanig verpletterd door het succes dat ze nauwelijks nog op haar benen kon staan. Adele was het gedroomde alternatief: een girl next door die onverbloemd over haar woelige liefdesleven zong, lak had aan schoonheidsideaal - ze stond prima met dat maatje meer - en over een klok van een stem beschikte zonder zich te vergrijpen aan het soort vocale krachtpatserij waar veel Amerikaanse zangeressen zich graag aan bezondigen. Op 19 was het songmateriaal nog wat aan de wisselvallige kant maar met 21 - ook die titel is geen toeval - klinkt rijper en veelzijdiger, al verschilt de thematiek niet zoveel van de vorige cd. Opnieuw heeft Adele de verkeerde vent aan de haak geslagen, en andermaal is de relatie met een smak uit elkaar gespat. 'Turning Tables' geeft aan dat Adele met hetzelfde gemak een pure popsong in de keel heeft zitten die als een pianoballad begint maar zich gaandeweg een route naar een grandioze climax baant. Een hit, quoi. De nummers die Rick Rubin geproducet heeft - aanvankelijk zou hij de hele plaat doen - zijn het soberst. 'Don't You Remember' en 'He Won't Let Go' klinken kaler en meer 'live' dan de rest, maar het opmerkelijkst is toch dat, hoewel er in totaal zeven producers aan 21 gesleuteld hebben, het geheel bijzonder coherent en evenwichtig klinkt met de overweldigende stem van Adele als het wondermiddel dat alles bij elkaar houdt. Een classic. (XL/V2)


3.     Into The Murky Water (The Leisure Society)
The Leisure Society wordt wel eens omschreven als de Britse evenknie van Fleet Foxes, en daar valt wat voor te zeggen. Beide bands hebben geen hoge pet op van drummachines of synthesizers, en opteren in plaats daarvan voor een uitgepuurd, tijdloos geluid. Alleen houden Nick Hemming en Christian Hardy, de creatieve motor achter de groep die ook op Into The Murky Water de bakens uitzet, er een veel sterker gevoel voor melodie op na, en bedienen ze zich bovendien van een muzikaal referentiekader dat aanzienlijker breder gaat. Akkoord: de songs zijn haast stuk voor stuk opgebouwd rond akoestische gitaar, maar daarnaast duiken er blazers, accordeons, mandolines, cello's en violen op. Het geeft nummers als 'I Shall Forever Remain An Amateur' en 'Although We All Are Lost' een herfstig aura mee, een uitgesproken melancholie ook. Dat wil evenwel niet zeggen dat The Leisure Society in zichzelf gekeerde muziek maakt: de refreinen van 'This Phantom Life' en de huiveringwekkende titelsong reiken haast tot aan de hemel. Uit die songs spreekt zo'n uitgesproken goesting om te leven dat je prompt de behoefte voelt om je fleurigste hawaïhemdje uit de kast te halen. En precies omdat The Leisure Society over zo'n enorme schat aan klankkleuren en texturen beschikt, klinkt de cd opvallend gevarieerd zonder daarbij aan coherentie in te boeten. De sierlijke manier waarop de melodieën zich een weg door de songs banen -als een kunstschaatser op de ijspiste, bijna-  doet aan de The Divine Comedy denken, en wie deze blog vaker leest weet dat dit geen gering compliment is. De uit The Sleeper geplukte single 'The Last Of The Melting Snow' was al goed voor een eervolle vermelding op de Ivor Novello Awards, zowat de grootste onderscheiding die een song aan de overkant van het Kanaal te beurt kan vallen. Deze tweede cd, waar zowat elk nummer van hetzelfde kaliber is, bewijst dat die opsteker meer dan verdiend was. Into The Murky Water staat boordevol prachtige, intelligente popmuziek. Iets voor u, quoi. (Full Time Hobby/V2)

4.     Funny Looking Angels (Smith  Burrows)
De ene is de charismatische zanger van editors die zelfs de inhoud van een telefoonboek zou kunnen voordragen alsof het een soulballad was, en de andere heeft een verleden als songwriter en drummer bij Razorlight. Toen Tom Smith en Andy Burrows in elkaars wijk kwamen wonen duurde het niet lang voor ze samen in een studiootje muziek zaten te maken. Funny Looking Angels is, zo benadrukken ze zelf, geen éénmalige samenwerking. En gelukkig maar. In Groot-Brittannië heeft de kerstplatentraditie de voorbije jaren gestaag aan impact gewonnen, en Funny Looking Angels is bijgevolg minder een oefening in ironie, dan een blijk van respect voor het eindejaar en alles dat daarbij komt kijken. Noem het een eerbetoon aan het koudste der seizoenen, met 'When The Thames Froze' als ultiem kippenvelmoment. Tot in de kern gevuld met melancholie, en tot aan de rand gevuld met prachtige melodieen. Funny Looking Angels is meer dan zomaar een tussendoortje. Het is een kerstclassic, een plaat die je de volgende twintig jaar elke decembermaand uit de kast zal halen omdat ze op onnabolgbare wijze de tijd van het jaar weergeeft. Een bloedmooie cd. Complexloos romantisch, heerlijk weemoedig, en –bovenal- buitengewoon tijdloos.  Dat Agnes Obel als toetje nog een lijntje mee komt zingen is niet meer dan een bonus. Kippenvel. (PIAS)



5.     Uitgewist (Hannelore Bedert)
Ze is pas 26, maar als het op de liefde aankomt lijkt het wel of Hannelore Bedert al een heel leven achter de rug heeft. In haar teksten noemt ze de dingen bij de naam, zingt ze over goesting en opspelende hormonen, maar graaft ze tegelijk naar explosieven die elke vorm van vers verworven geluk weer uit elkaar doen spatten. Ze dissecteert relaties vooral de hare met de precisie van een openhartchirurg en heeft het in uitgepuurde volzinnen over het gras en hoe dat er aan de andere kant vaak zoveel groener uitziet. Die 'bekentenis'-teksten waren tot nog toe haar grootste troef, niet in de laatste plaats omdat ze er in het Nederlandse taalgebied een haast unieke plaats mee inneemt, en je al naar het buitenland moet Ani Difranco, Glen Hansard van The Frames om songschrijvers te vinden die zichzelf zo genadeloos binnenstebuiten keren. 'Ge zegt 'Ge zijt veranderd'/Ik zeg 'Dat is normaal. De allerschoonste wending komt altijd aan het eind van een verhaal.' Kijk, van dat soort onredelijk mooie zinnen krijgen wij hier een krop in de keel. Kippenvel. Koude rillingen. Etcetera. Maar net zo goed is Bedert complexloos vrolijk en uitgelaten, en is het guitige 'Loeihard' een smeekbede om seks en koek op de bil. Uitgewist is een groeiplaat, die eerst de stekels opzet en pas na een handvol draaibeurten wat opener wordt. Bij gebrek aan beter wordt Bedert gemakshalve in het hokje van de kleinkunst gestopt, maar deze cd illustreert hoe enggeestig en absurd zo'n term is, want de nummers grossieren in verschillende klankkleuren, van strijkers en akoestische gitaar tot weidse synthesizers en zoemende wurlitzers. Ondanks die veelheid van geluiden voelt de cd coherent aan, en is het in de eerste plaats een bloedmooie, tijdloze popplaat die volop ontroert en al na een paar keer luisteren van die aard is, dat je beseft dat niemand zo melancholisch kan zijn als Hannelore Bedert. (Baanrecords)




6.     Seasons Of My Soul (Rumer)
Het blijft niet te bevatten hoe Rumer de voorbije tien jaar door geen enkele platenfirma werd opgepikt terwijl in die periode zowat alles wat borsten had een deal kreeg aangeboden. Op het moment dat Lily Allen, Kate Nash, Amy Winehouse, Adele en Duffy haasje-over speelden in de hitparade, bleef Sarah Joyce - want zo heet ze echt - voor vijf man en een paardenkop het Londense clubcircuit afschuimen. Maar kijk: vorig jaar werd Seasons of My Soul niet alleen met superlatieven overladen in de Britse media, maar haalde de plaat vlotjes de top van de hitparade. Opmerkelijk, vooral omdat de muziek van Rumer expliciet op de grootste gemene deler mikt - je zou het haast easy listening kunnen noemen - en dit een genre is waar de media doorgaans omheen lopen met een boog die groter is dan de ring rond Brussel. Zeldzaam zijn de cd's waar geen enkel overbodig nummer op staat of waar je nooit de behoefte voelt om de fastforwardtoets op te zoeken, maar dit is er eentje. Vanaf het zomerse, lichtvoetige 'Am I Forgiven' tot het weemoedige 'It Might Be You' klinkt Seasons of My Soul als een potentiële Greatest Hits. Zelden iemand met zoveel gemak zo goed weten zingen, ook. De vergelijkingen met Carole King, Dionne Warwick en - vooral - Karen Carpenter zijn al vaker gemaakt, maar dat is inderdaad de divisie waarin Rumer thuishoort. Het is retro en eigentijds tegelijk. Geen gimmicks of modieuze effectjes die volgend jaar passé zullen zijn, maar stijlvolle, veelal akoestisch aandoende arrangementen, en genoeg strijkers om een hele bus mee te vullen. Met haar cover van 'Alfie' geeft ze bovendien aan wie haar grote voorbeeld is en het feit dat de meester zelf - Burt Bacharach, misschien wel de meest getalenteerde songschrijver aller tijden - haar versie de beste vindt van de honderden die intussen de ronde doen, zegt meer dan eender welke vijfsterrenrecensie kan doen. Rumer wordt een ster en Seasons of My Soul staat ingeschreven als een subliem debuut. Voilà. Soms is het zo simpel dat er niet meer woorden aan vuil moeten worden gemaakt. (Atlantic/Warner)



7.     Last Night On Earth (Noah And The Whale)
Of: de cd waarmee de Britse folkband van weleer plots de popmuziek ontdekt heeft. De songs zitten tsjokvol refreinen die je met geen baseballbat uit je geheugen krijgt gemept. Je hoort sprankelende eighties keyboards, strak aan de teugels gehouden gitaren en -vooral – songs waar geen gram overtollig vet aan hangt. In Tonight’s The Kind of Night’ huist de opwinding van een jonge tiener op weg naar zijn eerste fuif, en ‘L.I.F.E G.O.E.S. O.N. –een nummer waar de joie de vivre uit elke noot spat- geeft aan dat de metamorfose van Noah And The Whale de groep als gegoten zit. Met de scene waar deze groep uit voortkomt – Mumford And Sons, Laura Marling- heeft dit ng weinig te maken. Maar wàt een aanstekelijke cd! (Universal)

8.     Mylo Xyloto (Coldplay)
Laat ons wel wezen: het is geen pretje om Chris Martin te zijn. Hij krijgt kritiek op zowat alles. Want hij gedraagt zich niet rock-'n-roll genoeg; houdt zich te zeer in het middenveld van de popmuziek op; schrijft te vage teksten; komt uit een te hoge sociale klasse om een geloofwaardige rockster te zijn; en muzikanten die 'softe' goede doelen als Oxfam steunen zijn sowieso niet te vertrouwen. Het zijn stuk voor stuk argumenten die meer zeggen over de verstarde denkpatronen in de muziekindustrie, dan over Chris Martin zelf. Coldplay is namelijk niet vies van een experimentje meer of minder. Voor de cd er was, werden er al twee singles vrijgegeven - not done voor een rockgroep - en in een tijd waar de angst voor lekken bij bands en platenfirma's haast psychotische vormen aanneemt, hebben Martin en zijn vrienden het spel dit keer anders gespeeld. Niet alleen werd tijdens de voorbije zomertournee al een handvol songs uit de nieuwe cd live gespeeld, op de koop toe werden haast alle optredens gefilmd en in de best mogelijke geluidskwaliteit uitgezonden of gestreamd. Wie overigens beweert dat Coldplay al tien jaar dezelfde plaat maakt dwaalt of weet niet beter. Leg het debuut Parachutes naast de nieuwe en je hoort misschien geen nieuwe band, maar toch een gezelschap dat een spectaculaire metamorfose heeft ondergaan. Ambitieuzer. Speelser. Gedurfder, ook. Dat er met 'Princess of China' een duet met Rihanna op staat doet hier en daar wat wenkbrauwen fronsen, maar wie weet dat Chris Martin in zijn vrije tijd ook songs schrijft voor uitgesproken popzangeressen als Jamelia, Nelly Furtado en Natalie Imbruglia staat er niet van te kijken. Het nummer zelf, een potentiële hit uiteraard, doet een stuk elektronischer aan dan we tot nog toe van de groep gewend waren, maar geforceerd klinkt de samenwerking nergens. Evenmin misstaat de song tussen de rest van het materiaal, want hoewel het in eerste instantie een akoestische plaat zou worden, is Mylo Xyloto haast tot aan de rand gevuld met wat je haast synthesizerpop zou kunnen noemen. Ook al is de gitaar van Jonny Buckland nog nooit zo prominent aanwezig geweest, en lijdt het geen twijfel dat hij deze keer - meer nog dan Martin - de grootste troef van de band vormt. De vraag of Coldplay nu echt de nieuwe U2 wordt - een kwestie die met tien jaar vertraging vandaag haast te pas en te onpas in elk stuk opduikt - is inmiddels compleet achterhaald. Op Mylo Xyloto onderstrepen Chris Martin en zijn vrienden dat Coldplay vooral de nieuwe Coldplay is. Een act die op zichzelf staat, met een eigen sound en een herkenbare identiteit. Om Paul McCartney te citeren toen hem onlangs gevraagd werd wat hij van het viertal vond: "Het is gewoon een fijn groepje." Zou het toeval zijn dat hij met precies dezelfde woorden ooit de band omschreef waar hij samen met John L, George H en Ringo S plaatjes mee opnam? Toeval bestaat niet. (EMI)

9.     Let England Shake (PJ Harvey)
Ze zijn op één hand te tellen, de artiesten die na twintig jaar carrière nog scherp genoeg staat om een plaat te maken die als een hoogtepunt in de moderne muziek wordt beschouwd. Maar dat is precies wat PJ Harvey gedaan heeft. Met Let England Shake – haar tiende soloplaat- maakt ze een balans op van waar haar land zich in bevindt. Het resultaat? Een relaas waar zowel liefde als haat in figureren, al schrijft ze erover met de neutraliteit van een oorlogsjournalist. Op de koop toe meet ze  zichzelf voor de zoveelste keer een nieuwe sound aan. Een uit rauwe, emotie geboetseerd meesterwerk dat niet alleen Engeland, maar ook de luisteraar door elkaar schudt. Een mijlpaal in de moderne popmuziek. (Island) 

1.     


10.  Ashes And Fire (Ryan Adams)
Met veertien cd's op tien jaar tijd behoort Ryan Adams tot de meest productieve artiesten van zijn generatie, en ook al waren die platen ongelijk van kwaliteit, toch stonden er altijd wel een paar pareltjes op. Maar met Ashes And Fire haalt de Amerikaanse singer-songwriter eindelijk weer een coherente plaat gemaakt: ingetogen, sober, en belangrijker nog, met songmateriaal dat zonder uitzondering het niveau haalt van zijn allerbeste werk. Bovendien zingt hij ook weer een stuk beter. 'Kindness' - een melancholische ballad die mooi wordt ingekleurd met een door Norah Jones en echtgenote Mandy Moore samengesteld achtergrondkoortje - geeft aan waar Adams toe in staat is als hij er zijn hoofd bij houdt: een prachtige, bijna gospelachtige tekst die je niet onverschillig laat, een uitgepuurd, smaakvol arrangement, én een song die zichzelf niet langer uitrekt dan strikt genomen noodzakelijk is. De stijl die Adams hanteert verrast niet. Het is veelal akoestisch gespeelde, wat rustieke country die niet de behoefte voelt om zichzelf in een hogere versnelling te schakelen. Denk aan de mooiste ballads van de Stones, aan Dylan wanneer die met gevoel zingt, aan het meest bezielde van de al eerder genoemde Emmylou Harris, ook. Een likje orgel hier, een zucht piano daar. Een spaarzame tokkel op gitaar en voila: als de songs van dit kaliber zijn, blijkt dat ruimschoots voldoende. Want voor u zich afvraagt waar de kanttekening over de zwakke nummers blijft: die zijn er dit keer niet. Voor de slechte verstaander: een vijfsterrenplaat. (Columbia/Sony)


11.  De Laatste Rit (Raymond vh Groenewoud)
De jongste Raymond is niet alleen de meest sobere die hij sinds lang heeft opgenomen, maar ook zijn beste. De productie van Tom Van Laere is daar vast niet vreemd aan, al is het songmateriaal consistenter dan ooit, en zingt niemand zo ontroerend over ontroering dan Raymond in ‘Kind Van Het Weekend’. Kippenvel. Meer moet daar niet over gezegd worden. Luister vooral zelf, en besef dat meesterschap geen loos begrip is. Bovendien: wie je een krop in de keel kan bezorgen bij een nummer dat het leven viert -zoals hij doet in 'Maanlicht'- verdient sowieso een standbeeld. Als dit zijn afscheid wordt –zoals links en rechts gefluisterd wordt, is het er eentje in stijl. Internationaal niveau in het Nederlands, jawel. Of zoals hij het zelf zegt: tussen walvissen en haaien, is ook plaats voor een garnaal. Een grijze, gepelde, in dit geval. Elke fijnproever zal bevestigen dat dat de beste zijn. (EMI)


12.  A Solitary Man (Jonathan Jeremiah)
Jonathan Jeremiah ziet eruit alsof een teletijdmachine hem uit de jaren zeventig heeft losgeplukt en hem in het hoe en nu heeft neergepoot. Zo klinkt hij ook, bovendien, want dit ambachtelijke debuut is tot aan de rand gevuld met prachtige liefdesliedjes die op wonderbaarlijke wijze het evenwicht houden tussen folk en soul. De dialoog tussen akoestische gitaar en strijkers levert –getuige de hit Happiness- vaak bloedstollende resultaten op. Goed: de herinnering aan sterren als Cat Stevens en James Taylor is nooit ver weg, maar deze jonge Brit heeft genoeg eigenheid om niet in de schaduw van zijn voorbeelden te blijven staan. (Universal)
13.  Mirrorwriting (Jamie Woon)
De man die dubstep -nog veel meer dan James Blake- bij een de mainstream heeft geïntroduceerd. De sfeer is donker en nachtelijk, de stem van Woon is zacht als zijde zonder aan emotie in te schieten, en de beats zijn zwoel en sexy. 'Night Air' was een wereldsingle, 'Lady Luck' ontplooide zich dan weer als een oefening in pure pop, en ook de rest van de nummers gaven bij iedere draaibeurt weer wat meer van hun geheimen prijs. Gek, eigenlijk; bij de eerste draaibeurt denk je dat je de plaat al meteen doorgrond hebt, maar na de dertigste keer kijk je uit naar welke details je bij de volgende beluistering zal ontdekken. (Universal) 


14.  Catholic (Gavin Friday)
Bono noemt hem de vroedvrouw van U2, maar Gavin Friday is uiteraard meer dan gewoon de beste vriend van de grootste rockgroep ter wereld. Als aanvoerder van de anarchistische punkgroep The Virgin Prunes werd hij door conservatief Ierland destijds de antichrist genoemd, en ook zijn eerste soloplaat in zestien jaar laat flink wat stof opwaaien. Dat heeft dit keer vooral met de hoes te maken. Daar ligt een lijkbleke Gavin Friday - je zou zweren dat hij overleden is - op bed, toegedekt door de Ierse vlag en met een kruisbeeld op de borst. Het zet hem meteen weer waar hij zijn moet: op de de kaart. Hij heeft het over zijn wankelend geloof, over het verlies van zijn onlangs overleden vader, en promiscuïteit. Friday, een germanofiel die op zijn vorige werk nadrukkelijk refereerde aan het werk van Kurt Weill en Bertolt Brecht, opteert dit keer voor een atmosferischer geluid, waar dromerige synthesizers mooi kleuren tegen zijn weemoedige falsetstem ('A Song That Hurts') en discrete, voorgeprogrammeerde beats de emotionele diepgang van de muziek niet in de weg staan. De kans bestaat dat het publiek van vroeger hem vergeten is, terwijl iedereen die vandaag jonger dan dertig is hem wellicht niet eens kent. Maar los daarvan is dit een indrukwekkende terugkeer van een van de meest buitengewone artiesten die de punkgeneratie heeft voortgebracht. (Rubyworks/De Konkurrent)



15.  Revelation Road (Shelby Lynne)
Bizar hoe sommige artiesten de ene uitstekende cd na de andere toch nooit uit de marge van de popmuziek geraken. Shelby Lynne is zo iemand. De Amerikaanse soulzangeres heeft met Revelation Road zopas haar dertiende plaat uit, en het is er opnieuw een om verliefd op te worden. Toch is de kans dat u haar in primetime op de radio zal horen uiterst miniem. Lynne is de dochter van een aan alcohol verslaafde vader die, toen ze zeventien was, voor haar ogen eerst zijn vrouw vermoordde en vervolgens zichzelf een kogel door het hoofd schoot. Een traumatische gebeurtenis die zowel het leven van Lynne als dat van haar zus - zangeres Allison Moorer, tegenwoordig mevrouw Steve Earle - tot vandaag tekent. Aanvankelijk begon Lynne haar loopbaan in de muziek als countryzangeres, maar sinds het ronduit fantastische I Am Shelby Lynne, uit '99 alweer, en destijds goed voor een Grammy als beste nieuwkomer, sijpelen almaar meer invloeden uit pop, jazz en blues haar muziek binnen. Waar ze aanvankelijk weinig meer was dan een op de sterrenstatus belust zangeresje, laat ze zichzelf steeds meer van een meer assertieve kant zien. De vergelijking met Sheryl Crow is al vaker getrokken, al leunt haar geluid de jongste jaren vaker tegen dat van Dusty Springfield aan, een zangeres van wie ze overigens meerdere nummers van op het repertoire heeft staan. De songs zijn erg sober gearrangeerd, met vooral akoestische gitaar en een paar plukjes bas en wat discrete tikken op een drumstel. Haar karakteristieke stijl, rokerige jazz, beetje blues, een zucht country, blijft van die aard dat je er jezelf als luisteraar helemaal in wilt onderdompelen, en haar zachte, expressieve stem ligt heerlijk in het gehoor. Tel daarbij de teksten waarin ze heel haar hart binnenstebuiten draait - een handvol songs gaan over de tragische dood van haar ouders. Niet meteen voer voor MNM of Q Music, kortom. Maar dat is in deze een compliment. Een van de beste platen uit haar carrière. En in het geval van Shelby Lynne wil dat wat zeggen. (Everso/Rough Trade)


























16.     James Blake (James Blake)
Weinig songs die in 2011 zo zijn opgevallen op de radio als 'Limit To Your Love'. Het nummer  trapt af met spartaanse pianoklanken, een donkere soulstem die uit de duisternis stapt, en dan, plots, een drummachine die de song afwisselend binnen en buitenwaait. Tussendoor valt er een stilte die secondenlang lijkt aan te houden, worden er geluiden verknipt, trekt het geheel zich weer op gang en lijkt Blake het gezelschap te krijgen van een stel vreemdsoortige androïdes. Wanneer je als recensent moeite hebt referentiepunten te vinden om de muziek waar je naar luistert te duiden, dan kun je niet anders dan vaststellen dat je iets volstrekt unieks in handen hebt. En goed: de donkere, fragiele stem van Blake doet soms aan die van Antony Hegarty denken, en het bevreemdende, tot op het bot afgekloven muzikale kader roept herinneringen op aan de laptopplaten van David Sylvian, de gedeconstrueerde electronica van Fennesz of de desolate dubstep van Burial. Maar terwijl je die namen intikt, besef je eigenlijk al dat ze hopeloos tekortschieten om deze bizarre maar buitengewone plaat te vatten. Omdat het - en hoevaak gebeurt dat nog? - iets nieuws is Blake goochelt met geluid zoals een chemicus dat met licht ontvlambare producten doet. De nummers hebben begin noch einde, woorden breken zonder verklaarbare reden af, tekstflarden worden herhaald, gesampled, bewerkt, verhakkeld en herplakt, en instrumenten wekken de indruk aanwezig te zijn zonder dat je ze ook echt hoort. Kortom: elk nummer roept meer vragen op dan erin beantwoord worden. 'Limit To Your Love' (een cover van Feist, maar dat wist u inmiddels) overklast moeiteloos het origineel en is met voorsprong de song die het meeste kans maakt om door een breed publiek aan te borst te worden gedrukt. De rest van de plaat ligt stilistisch in het verlengde, maar vraagt wat meer inspanning van de luisteraar. Al lonen ook die songs stuk voor stuk de moeite. Een gedurfd, intrigerend en volstrekt uniek debuut dat de verbeelding blijft prikkelen, lang nadat de laatste noot is uitgestorven. (Universal)



17.     Tot ziens, Justine Keller (Spinvis)
Hij is inmiddels vijftig, maar in zijn muziek schuilt nog steeds de verwondering van een kind door. Tien jaar geleden wuifde Erik de Jong zijn bestaan in de fabriek vaarwel om zijn jongensdroom na te jagen, en als Spinvis heeft hij die sindsdien helemaal waargemaakt. Zonder er zijn eigenheid als muzikant bij in te schieten, bovendien. Met Tot Ziens, Justine Keller bracht hij voor het eerst sinds lang weer een echte cd uit, die –wegens iets minder experimenteel en psychedelisch dan zijn vorig werk, niet overal even warm onthaald werd. Onterecht, vind ik zelf. De songs liggen haast allemaal in dezelfde sfeer, wat het een stuk aangenamer maakt om naar te luisteren. Bovendien vormen de liedjes samen een soort lovestory rond de figuur Justine Keller, een onbereikbare muze die het doen en laten van de verteller bepaalt Op de koop toe tekende Hanco Kolk een prachtige graphic novel bij de songs. Een zàlig pretpakket om avonden aan een stuk bij weg te dromen. Want ook mooi; op de hele plaat geen spatje cynisme te bekennen. Lekker schaamteloos romantisch uit de hek durven komen: alleen dat al maakt van Tot Ziens, Justine Keller een verademing. (Excelsior)  

 
18.     Codes And Keys (Death Cab For Cutie)
Na vijf cd's klom de zesde plaat van Death Cab for Cutie drie jaar geleden plots naar de top van de Amerikaanse hitparade. Opvolger Codes and Keys geeft aan dat de groep de oversteek van de underground naar de mainstream zonder kleerscheuren heeft gemaakt, en zonder complexen op schaalvergroting aast. De productie is deze keer cleaner en de songs doen al bij de eerste beluistering opvallend radiovriendelijk aan. Het refrein van 'Portable Television' - denk aan Arcade Fire, maar dan zonder de weerhaakjes - klinkt zelfs uitgesproken pop. Maar voor u denkt dat Death Cab for Cutie zijn ziel aan de duivel heeft verkocht: qua songs is dit wellicht de beste, consistentste cd die het vierspan uit Washington toch nog toe heeft opgenomen. Goed dat Death Cab for Cutie het aandurft om complexloos een popgroep te zijn, die de code tot het perfecte refrein heeft gekraakt. Codes and Keys geeft aan dat de muziekindustrie het weer moet aandurven om op lange termijn te denken en bands de tijd moet geven om zich in een eigen tempo te ontwikkelen. Tien jaar lijkt lang, maar de zoektocht naar de perfecte popplaat is minstens even boeiend als ze uiteindelijk ook echt maken. En het moet gezegd: Death Cab for Cutie komt op deze zevende cd vervaarlijk dicht in de buurt. Een groep die blijft evolueren en, net als Wilco bijvoorbeeld, nog lang niet aan het einde van de reis is. In dit tempo is de volgende een vijfsterrenplaat. (Atlantic/Warner)

19.     Let The Dog Drive Home (Teitur)
De Faeröer-eilanden staan niet meteen bekend als het epicentrum van de pop, maar Teitur Lassen - kort-weg: Teitur - maakt er al een hele tijd zeer mooie en erg persoonlijke platen. 'Let the Dog Drive Home', zijn zeven-de inmiddels, is opnieuw tot aan de rand gevuld met sprankelende songs waar met een dikke stift een melancholisch randje omheen werd getekend.  Er ligt een tijdloze gloed over de songs omdat Teitur niet geforceerd trendy probeert te zijn. Ook 'Let the Dog Drive Home' is weer een cd waarvan de songs telkens wat meer van zichzelf prijs geven. De earcatcher van de plaat is 'You Never Leave LA', naast een perfecte popsong ook de trekker van een apart verkrijgbare EP die vreemd genoeg dezelfde naam draagt als de cd. Het nummer is uitvoerig gearrangeerd met akoestische gitaar, piano en een heel orkest, waardoor het zowaar aan de late periode van The Beatles doet denken. Echt representatief, qua stijl, is de single niet. Teitur, een man die vorig jaar met 'A Night at the Opera' al bewees dat hij net zo goed een singer/songwriter als een klassiek componist is, kan met een breed instrumentarium uit de voeten zonder in bombast of pathos te vervallen. Noem een blaasinstrument en de kans is groot dat hij er gebruik van maakt. Het is popmuziek waar strijkers, beats, akoestische instrumenten en een heldere stem elkaar perfect in balans houden. Je zou het ouderwets kunnen noemen, maar ons lijkt grensoverschrijdend een beter adjectief. En of het nu over het ingetogen 'Waverly Place', of het bijna uitbundige titelnummer gaat, keer op keer zorgt Teitur ervoor dat je op het puntje van je stoel blijft luisteren. Daarom is het haast zinloos om specifieke songs aan te stippen: in al hun verscheidenheid vormen ze een coherent geheel. Let the Dog Drive Home is een plaat die een breder publiek verdient dan Teitur tot nog toe heeft aangesproken. Als we nu eens af-spreken dat iedereen die al eens een cd van Crowded House, Coldplay, Rufus Wainwright en Paul Simon gekocht heeft deze cd in huis haalt, dan zou Teitur niet alleen evenveel verkopen als al die artiesten samen, maar was zijn bankrekening eindelijk evenredig aan zijn talent. Of horen die dingen niet in verhouding te staan? (Ear Music/V2)



20.     Wasting Light (Foo Fighters)
Rechttoe-rechtaan. Rechttoe-rechtaaner. Rechttoe-rechtaanst. Als Dave Grohl in de buurt is, kan je er gif op innemen dat de gitaren strak gespannen staan en de drums tegen een rotvaart je trommelvliezen bekampen. Foo Fighers maken gitaarrock zoals gitaarrock hoort te klinken: luid en duidelijk, maar gestroomlijnd genoeg om ook door een breed publiek te kunnen worden meegescandeerd. Dat niet alleen Pat Smear weer van de partij is, maar ook producer Butch Vig opnieuw achter de mengtafel zit en zelfs bassist Krist Novoselic even van zich laat horen in 'I Should Have Known' maakt de Nirvana-reünie zo compleet als ze in 2011 nog kan zijn. Maar ook los daarvan: genoeg goeie songs hier om je keel compleet schor op te schreeuwen. En des te meer zonde dat de storm boven Pukkelpop de Foo Fighters afgelopen zomer van een Belgisch podium hield. (Sony)


















21.     Keep You Close (dEUS)
Het concert in de Antwerpse Lotto Arena was een aanfluiting, maar Keep You Close is niettemin opnieuw een dEUS van een goed jaar. Een echte groepsplaat ook, waar -in tegenstelling tot vroeger- elke bandlid inspraak in het creatieve proces heeft gekregen. Nadeel: er staan wat minder ingetogen ballads op, terwijl Barman daar zelf een meester in is. Pluspunt: je hoort een veelzijdige, dynamische band die haar eigen grenzen opzoekt, maar uiteindelijk toch de song boven het experiment verkiest. Wie er bovendien de teksten op na slaat, kan bovendien niet anders dan vaststellen dat het liefdesleven van Barman -een terugkerend thema op de platen van dEUS nog steeds geen pad is dat over rozen gaat. Een titel als 'The End Of Romance' laat sowieso weinig aan de verbeelding over, maar het refrein van 'Twice (We Survive)' geeft aan dat schuld lang niet altijd bij haar ligt.  Twice I set my mind on you/And twice I gave you nothing/twice you showed me what to do/ And twice it came to nothing. Het is, om een eufemisme te gebruiken, als kerven in een open wond: je weet dat het pijn doet, en toch blijf je peuteren. Een topplaat die ook in het buitenland op laaiende recensies werd onthaald. (Universal) 



22.     Noel Gallagher’s Flying Birds (Noel Gallagher’s Flying Birds)
Of het ooit nog goed komt tussen Oasis? In een aantal recente Britse interviews gaf Noel Gallagher aan dat hij open stond voor het idee, maar toen we hem voor het optreden in Brussel spraken leek een reünie hem te absurd voor woorden, en liet de gitarist doorschemeren dat de Engelse pers zijn woorden had verdraaid. Niettemin is de kans klein dat de gebroeders Gallagher nooit nog samen op het podium zullen staan, en wanneer de tijd rijp is –als Definitly Maybe straks twintig jaar oud wordt, bijvoorbeeld- komt de reünie er vast toch. Met zijn recent verschenen solo-debuut onderstreepte Noel Gallagher wie het échte talent bij Oasis was. Qua songs moest de cd alvast niet onderdoen voor Definitly Maybe of (What’s The Story) Morning Glory. En qua sound.. tja. U kent The Beatles uiteraard ook, hé? (PIAS)



23.  Bon Iver, Bon Iver (Bon Iver)
Onmogelijk om er niet aan te denken als je de groepsnaam zwart op wit afgedrukt ziet staan: die verlaten blokhut in Wisconsin waar Justin Vernon, het eenzame hart achter de groepsnaam, vijf jaar geleden in zijn eentje For Emma, Forever Ago opnam. De vereenzaamde schoonheid van de plaat raakte een gevoelige snaar bij het grote publiek, maar de opvolger is geen gemakkelijke herhalingsoefening geworden. Je hoort het meteen: Bon Iver, toen nog een echt soloproject, is inmiddels een groep geworden. Een groep, bovendien, die zichzelf bij momenten een groots geluid aanmeet, en niet bang is om al eens een gitaar te laten scheuren. Niet dat het gezelschap de concurrentie met AC/DC aangaat, maar toch: dat uitgebeende geluid van de eerste plaat heeft plaatsgeruimd voor een aanpak met een rijkere sound waar nog meer ruimte is voor nuance. De weemoedige opener 'Perth' geeft al aan dat Bon Iver, Bon Iver volgens een ander opzet werd opgebouwd. Je hoort roffelende militaire drums, rauwe gitaren, piepende trompetten, soulvolle achtergrondkoortjes, en een zucht electronica. Even schrikken. Maar ook niet meer dan dat, want wat u natuurlijk écht interesseert is: deugen de songs? En in dat geval blijft het antwoord gelukkig een volmondig ja. Kijk naar 'Minnesota, WI': kringelende banjo, jazzy blazers en dan die uit de duizenden herkenbare falsetstem van Vernon die er een mooi contrast mee vormt. Of neem 'Wash', waarin een minimalistische piano met weelderige strijkers walst, en prompt goed is voor een rilling over de rug. In afsluiter 'Beth/Rest' zit zelfs een gladde gitaarsolo van het type zoals oude hardrockers die wel in de jaren tachtig wel eens uit de snaren wilden knijpen. Maar schrik niet: het is geen reden om je strakke spandexbroek weer van de zolder te halen. Bon Iver heeft niet voor de gemakkelijke weg gekozen door een blauwdruk van het succesvolle debuut op te nemen. Dat zal wellicht niet bij iedereen in goede aarde vallen, maar Bon Iver, Bon Iver (de titel had, toegegeven, beter gekund) onderstreept alvast dat Vernon geen one trick pony is. Een moedige, mooie, en compacte plaat. (4AD)



24.  Wander/wonder (Balmam Acab)
Muziek als kabbelend water. De omschrijving lijkt op het eerste gezicht misschien niet erg aantrekkelijk, maar op dit debuut van Balam Acab- pseudoniem van Alec Koone, een jonge twintiger uit Pennsylvania- is het dat zeer zeker wel. Het genre waarin hij een handeltje heeft opgezet –een variant op dubstep die witch house wordt genoemd-   zweert bij sfeervolle synths, logge ritmes, en electronisch bewerkte stemmen. Resultaat? Bezwerende, vaak esthetische sfeermuziek waar een eigen persoonlijkheid uit spreekt. Veel meer, kortom, dan het steriele geluidsbehang dat je er bij de eerste kennismaking nog in vermoed had. Een groeiplaat voor in de late uurtjes, van een talent dat –ook al is de naam een heuse tonguetwister- nog van zich zal laten horen. Kabbelend water, dus. Maar wel van de aard die je helemaal onderdompelt. (Triangle)



25.  Welkenraedt (Yevgueni)
Weinig Nederlandstalige bands die de meningen zo verdelen als Yevgueni. Dat heeft vooral te maken met de stem van Klaas Delrue, die je uit duizenden herkent en die bijgevolg net zoveel voor- als tegenstanders heeft. Die laatsten worden dit keer evenwel de mond gesnoerd, want het vijfkoppige gezelschap heeft zijn tot dusver beste cd uitgebracht.  De eerste vaststelling, en daar kan weinig discussie over bestaan, is dat Delrue als tekstschrijver steeds beter wordt, en dat de groep cd na cd almaar sterkere melodieën bedenkt. Opener 'Propere ruiten' behoort tot het sterkste wat de groep ooit heeft opgenomen: originele invalshoek, melancholische tekst én de stem van Sarah Bettens als extra troef. Het oog voor detail van Delrue - hij kan een schijnbaar onooglijke opmerking opblazen tot een voor iedereen herkenbaar gegeven - is meteen ook zijn grootste troef. Het werkt niet altijd, en al zeker niet in de titelsong, waar een goed nummer onderuit wordt gehaald door een iets te schreeuwerig achtergrondkoor. Daar staat tegenover dat Yevgueni nooit eerder zo robuust klonk, en dat er songs op de plaat staan die alleen door Radio 2 zullen worden opgepikt  'als die veel te luidruchtige gitaarsolo eruit wordt gemixt'. Altijd een goed teken. Terwijl Yevgueni in het verleden soms nog wat te braaf en glad klonk, zitten er deze keer ruwe kantjes aan de songs, waardoor ze meteen een stuk sprankelender voor de dag komen Producer Stef Kamil Carlens (Zita Swoon) zorgt ervoor dat de arrangementen sober en uitgepuurd blijven, en daar doen ook 'Was er maar iemand' en 'Sneeuwman' hun voordeel mee. Jan De Wilde bromt op zijn onnavolgbare wijze een eindje mee op de vertaling van eels' klassieker 'Beautiful Freak', een nummer dat eerder al op het vierde deel van de benefietplaat Te gek! verscheen, en dat terecht te goed werd bevonden om niet opnieuw op te pikken. En ja hoor: zoals de traditie dat stilaan voorschrijft maakt ook het Robbie-personage weer zijn opwachting in het glorieus  gearrangeerde 'Robbie en de aftocht'. Welkenraedt wordt tot aan de rand gevuld met oefeningen in emotioneel crisismanagement en weemoedige mijmeringen over alles wat vervlogen is. Yevgueni blijkt - vergeef ons het lelijke woord - volwassen geworden. Maar het kleine hartje en de verwondering zijn godzijdank gebleven. (Petrol)




26.  Black And White America (Lenny Kravitz)
Geloof me: niemand die er meer van staat te kijken dan ikzelf dat er een cd van Lenny Kravitz bij mijn favoriete platen van 2011 staat. Op een paar singles na nooit een echte fan geweest, en doorgaans vond ik de lijst vrouwen die hij door de jaren aan zijn vlaggenmast had geregen een stuk indrukwekkender dan de muziek waar hij tussendoor aan werkte. Maar Black And White America is anders. Niet alleen heeft hij dit keer ruim de tijd genomen om de plaat op te nemen, hij heeft er ook wat op te vertellen. Het titelnummer –over racisme in de US of A- behoort tot het beste dat hij in jaren heeft opgenomen, maar ook als de toon wat zwoeler en funkier mag –op ‘Superlove’, bijvoorbeeld- houdt hij zijn hoofd erbij. Een opmerkelijke terugkeer van iemand  die ik na de ondermaatse platen die Kravitz de laatste jaren uitbracht- eerlijk gezegd al had afgeschreven. Just goes to show: you never know. (Roadrunner)
27.  To get her Together (Anouk)
Goed: intussen behoort het tot de bekende leerstof dat Anouk het op echtelijk vlak niet meteen getroffen had met haar laatste beau, en toen ze erachter kwam dat haar wederhelft het tegelijk ook deed met de nanny en de helft van hun gemeenschappelijke vriendenkring, stortte de wereld van de zangeres in. Ze schreef het leed van zich af in deze persoonlijke plaat, waar de nummers zich laten lezen als waren het pagina’s van haar dagboek. Anouk –iemand die het hart sowieso altijd op de tong heeft gedragen- heeft de luisteraar inzicht in haar inwendige huishouding, beschrijft op ontroerende wijze welk leed ze heeft uitgestaan, maar vergeet niet om al die tristesse in soulvolle songs te stoppen. Het levert een sterke, hyperpersoonlijke plaat op van een vrouw die in het diepste van haar ziel gekwetst is, maar zich niet laat kisten. U gotta love her. (EMI) 


28.  Sky Full Of Holes (Fountains Of Wayne)
Weinig bands die de kunst om de perfecte popsong te schrijven zo goed onder de knie hebben als Fountains Of Wayne, een viertal dat inmiddels al bijna twintig jaar in dezelfde bezetting opereert en -net als Crowded House, bijvoorbeeld- haast achteloos sprankelende melodielijnen combineert met in pure melancholie gesopte teksten. Maar waar Neil Finn eerder voor impressionistische bespiegelingen kiest, hebben Chris Collingwood en Adam Schlesinger -want inderdaad: ze schrijven alle twee songs- eerder een voorliefde voor bitterzoete verhalen over het alledaagse leven. Die vertellen ze met veel mededogen voor de personages die ze opvoeren, en op de koop toe klinkt het allemaal even filmisch als herkenbaar. Op muziekaal vlak is Sky Full Of Holes wat gevariëerder dan hun jongste paar platen, maar tot een drastische stijlbreuk met het verleden komt het nooit. Fountains of Wayne grossieren nog steeds in ambachtelijk vervaardigde gitaarpop waar ik zelf na al die jaren nog steeds geen genoeg van heb. Zolang de songs maar deugen. En dat doen ze. Wat een mooi samenloop van omstandigheden. (Lojinx) 




29.  The Colour Of The Trap (Miles Kane)
Miles Kane is niet vies van een snuifje retro. Op de hoes van zijn eerste soloplaat draagt hij een pak dat zo aan de prille Beatles doet denken, en ook dat modkapsel geeft aan dat de zanger met zijn hart in een ander tijdsgewricht woont. Met The Last Shadow Puppets, de groep die Kane uitbaat met Alex Turner van Arctic Monkeys, combineerde hij aan Burt Bacharach verwante strijkers aan sierlijke melodieën, maar op Colour Of The Trap klinken de songs iets gebalder, iets dynamischer ook. Miles en zijn band koppelen de branie van de punk aan de spirit van de jaren zestig, en dat leverde meteen een aantal zeer fraaie passages op. 'Counting Down The Days' en 'Rearrange' sprankelen als bruiswater, en ook 'Quiksand' is er pal op: spannende, compacte en buitengewoon sexy rock-'n-roll waar elke noot zijn functie heeft. (Sony) 





30.  El Camino (The Black Keys)
Ze gaan uiteraard al langer mee, maar met El Camino hebben The Black Keys eindelijk de cd gemaakt waarvan je hoopte dat ze hem ooit zouden maken. Rauwe rock, dat wel, maar dit keer zijn de nummers van een buitengewoon sterk niveau, en lijkt het erop dat dit Amerikaanse duo haar geluid tot in de geringste details geperfectioneerd heeft. Na tien jaar en zes cd's zijn The Black Keys niet alleen directer geworden, maar klinken ze ook meer retro dan ooit. Je hoort rauwe blues en primaire rock -'n-roll, en het geluid gaat van aanstekelijke gitaarriffs over kitcherige orgeltjes  tot het soort handgeklap dat je aan de prille Simon + Garfunkel doen denken.  De nummers op El Camino klinken catchier dan ooit, en ook als composities staan de songs stuk voor stuk als een huis. Kortom: de cd waarmee The Black Keys de oversteek naar de mainstream maken. (Nonsuch/Warner)  




31.  A Winged Victory For The Sullen (A Winged Victory For The Sullen)
Dustin O'Halloran zit niet stil. Eerder dit jaar bracht hij met Lumière al een uitstekende studioplaat uit, nadien was er een liveplaat, én componeerde de pianist nog een volwaardige soundtrack. Nu heeft hij, samen met Adam Wiltzie van Stars of the Lid, ook een nieuwe groep opgericht. De titelloze plaat van A Winged Victory For The Sullen ligt in het verlengde van zijn solowerk: zeven nummers met titels die even sfeervol zijn als de muziek zelf. Voorbeelden? 'We Played Some Open Chords And Rejoiced, For The Earth Had Circled The Sun Yet Another Year'. Of 'Requiem for the Static King Part Two'. Het is muziek die je spontaan een aan zonsverduistering doet denken. Of aan desolate, uitgestrekte landschappen waar de mistbanken met boven het bedauwde gras hangen. De dialoog tussen het minimalistische pianospel van O'Halloran en de sierlijke orkestrale arrangementen van Wiltzie levert vaak onthutsend mooie resultaten op. De melodieën strekken zichzelf heel langzaam uit, nemen hun tijd om zich kenbaar te maken, maar eens het zover is, voelen ze meteen aan als oude vrienden. De sfeer is intiem en allenig, maar de schoonheid die door elke noot schemert is van die aard dat je nadat de muziek is uitgestorven onmiddellijk de behoefte voelt om ze opnieuw te horen. Het zijn stuk voor stuk composities die ontroeren in al hun eenvoud, en je raken zonder al te opzichtig naar je hart te dingen. De opnamen werden gemaakt in grote akoestische ruimtes als het begijnhof in Brussel, en gebeurden uitsluitend op traditionele instrumenten. Peter Broderick vertolkt een gastrolletje, en 'Requiem for the Static King Part One' is opgedragen aan de nagedachtenis van Sparklehorse-frontman Mark Linkous.  Hoogtepunten opsommen heeft weinig zin, want dit is een plaat die je best als geheel beluisterd, zodat je je helemaal kunt onderdompelen in de sereniteit die elke seconde van A Winged Victory for the Sullen uitademt. Van een onwezenlijke schoonheid, haast. Kortom: hopelijk blijft dit geen eenmalige samenwerking. (Erased Tapes)


32.  Lumière (Dustin O Halloran)
Misschien heeft het te maken met het duizelingwekkende tempo waarin de samenleving zichzelf almaar sneller voorbijholt, maar in een paar jaar tijd zijn er genoeg onthaastingsartiesten opgestaan om een hele afdeling te vullen. Wim Mertens, Ryuichi Sakamoto en Michael Nyman gaan al langer mee en blijven op die manier de meest voor de hand liggende exponenten van het fenomeen, maar daarnaast zijn inmiddels ook Craig Armstrong, Ludovico Einaudi, Olafur Arnalds en Jóhann Jóhannsson uit hun niche gebroken. Die laatste is ook, als mixer weliswaar, betrokken bij Lumière van Dustin O'Halloran, die eerder met Piano Solos volume 1 en 2 al twee hedendaags klassieke platen uitbracht, en daarvoor als popmuzikant aan de slag was in het Californische duo Devics. Intussen is O'Halloran naar Berlijn verhuisd, en op de nieuwe cd heeft hij zichzelf een nieuw geluid aangemeten zonder zijn oud publiek tegen de haren in te strijken. Zijn verstilde, wat allenige pianoballads zijn er nog steeds, en een passage als 'Opus 44' ligt helemaal in het verlengde van de eerste twee cd's. Maar vaker dan vroeger gaat de componist in dialoog met het stemmige ACME Ensemble, een strijkkwartet dat eerder ook al te horen was op platen van Grizzly Bear en Owen Pallett. Dat maakt van Lumière zijn meest gevarieerde werk tot nog toe. En soms, heel soms, als er even een zorgeloze melodielijn langs geslopen komt, heb je zelfs de indruk dat ook door de voegen van de donkerste nummers wat zonlicht priemt. Dat is onder meer het geval in 'Quintette N.1', waar een rauwe fiddle voor een dynamische, haast extraverte intro zorgt alvorens de compositie weer op zichzelf terugplooit. Even later klinkt het bloedstollende 'Fragile N.4' even sierlijk als beschroomd. Dit is muziek die losstaat van modes en trends, die haar weg vindt ver van de radio en de aandacht trekt zonder erom te moeten schreeuwen. En ze blijft in het hoofd sluimeren lang nadat de laatste noot uitgestorven is. (130701/Fat Cat Records)




33. Civilian (Wye Oak)   
Een cd die pas op de valreep in dit lijstje terecht is gekomen. Het duurt even voor de band rond zangeres/gitariste Jenn Wasner haar geheimen prijs geeft, maar op deze derde cd is ongetwijfeld de meest beheerste die de band tot nog toe heeft uitgebracht. De opflakkeringen van distortion zijn gebleven, maar  de rauwe kantjes zijn er enigszins afgevijld. De discrepantie tussen luid en stijl is kleiner geworden, en ook de kloof tussen hard en zacht lijkt grotendeels gedicht. Het klinkt allemaal wal cleaner dan voorheen, maar zoals wel vaker in deze top 40 is dit de beste cd van Wye Oak omdat het niveau van de songs die van de vorige cd overklast. Zelf omschrijft de band haar geluid als folk voor de eenentwintigste eeuw, maar dat is een definitie die de rijkdom van de songs geweld aandoet. Een kippenvelplaat die je aandacht tot het laatste akkoord weet vast te houden.  (City Slang) 




nd 
34.  Mt Everest (Buurman)
Mt Everest is nog geen dertig seconden bezig of je hoort al dat Buurman een ingrijpende metamorfose heeft ondergaan. Twee jaar intensief touren heeft tot een grootsere, robuustere sound geleid. Maar ook: tot meer intimiteit. Er duiken genoeg instrumenten op om een heel orkest mee te bevoorraden, maar net zo goed is één enkele piano of een spaarzaam aangeslagen gitaar soms genoeg om een krop in de keel uit te lokken. En die ontroering, daar draait het om bij dit Limburgse gezelschap. Vreugde. Melancholie. Geluk. Weemoed. Heimwee. En soms al die dingen tegelijk. Noem een emotie en ze komt aan bod. Geert Verdickt is dan ook een songschrijver die de kunst verstaat om een verhaal te vertellen dat zich als een film voor je ogen ontrolt. Neem 'London Stansted', een van de twaalf songs op de cd waar je onmogelijk onverschillig bij kan blijven. Op de ring van Brussel rijdt een auto naar Zaventem. Daarin: twee mensen die noodgedwongen afscheid moeten nemen. Voor altijd of voor even. Dat komen we niet te weten. Maar je ziet ze wel voor je zitten, daar achter dat stuur. Je voelt hoe hun hart samenkrimpt als ze uit de auto stapt en hem met nog een laatste kushand achter zich laat. En zo roept elk nummer nieuwe beelden op. Van jongens die voorbijrazen op hun brommers. Van dromen op het strand van Casablanca. Van het meisje op de bus naar school die toen al wist dat ze rockster wilde zijn. Over de stem van de overleden zanger die sindsdien een tikje verweesder uit de radio klinkt. Vaak zijn het close-ups van het gewone leven, die met zo'n heldere lens in beeld worden gebracht dat elk detail zich haarscherp op je netvlies aftekent.  Met Mt Everest heeft Buurman immers datgene gedaan waar we de groep eerlijk gezegd zelf niet toe in staat hadden geacht: dat nagenoeg perfecte debuut van twee jaar geleden nog overtreffen. Of er een nieuwe 'Middellandse Zee', opstaat, wilde u weten? Of iets dat even pakkend is als 'God, Ik en Marjon'? Ja en ja. Maar dan helemaal anders. Omdat stilstaan achteruitgaan is. En deze Buurman zich, meer nog dan vroeger, thuis voelt in een huis met vele kamers. (Universal)



35.  The High Country (Richmond Fontaine)
Willy Vlautin is een meesterlijk verteller. Zijn eerste boek The Motel Life wordt momenteel verfilmd, en in The New York Times roemde men hem als één van de belangrijkste exponenten van een nieuw soort Amerikaans realisme in de literatuur. Vergelijkingen met John Steinbeck en Raymond Carver zijn nooit veraf, en Vlautin heeft met de jaren zijn beeldrijke stijl ook uitgezuiverd als songschrijver. Leg een van zijn platen op, en voor je ogen ontspint zich een verhaal waarbij elk personage tot in de kleinste details werd uitgepuurd. Dat is niet anders op The High Country, een intimistische plaat die zich bijna aandient als het muzikale equivalent van een audioboek. Noem het een songnovelle. Of een boek zonder pagina's. In de nummers duiken spanningen op, er is jaloezie, haat, afwijzing, het occasionele gebroken hart, paranoia en drugsgebruik. Vlautin heeft het, kortom, over het leven zoals u en ik dat dagelijks doorworstelen. De klankkleur bepaalt de sfeer van de songs, en uitstapjes naar grunge, folk, country en pop zorgen ervoor dat de aandacht van de luisteraar niet verslapt.  En dat is het mooie aan The High Country: op papier lijkt de plaat een samenraapsel van stukjes en beetjes, maar net zoals de vorige cd's van Richmond Fontaine slaagt Vlautin er ook dit keer in om al die facetten samen te puzzelen tot een intrigerend, pakkend en fascinerend liefdesverhaal. Prachtplaat. (Decor Records/Bertus)



36.  A Creature I Don’t Know (Laura Marling) 
Ze is pas tweeëntwintig, maar Laura Marling heeft met haar drie solo-cd's bewezen dat ze genoeg talent heeft -zowel muzikaal als tekstueel om de Britse tegenhanger van Joni Mitchell te worden. Haar vorige cd - het zinderende I Speak Because I Can- was een meesterwerk, en ook nu ontpopt de ex van Marcus Mumford (en van de zanger van Noah & The Whale, wiens vorige cd een relaas was van hun liefdesbreuk) zich als een bevlogen zangeres die uitblinkt in het bedenken van poëtische metaforen en wervelende melodieën. Je kan het folk noemen, maar dat klinkt te belegen. Je kan het pop noemen, maar dat klinkt te gratuit. In Groot-Brittannië is ze inmiddels een begrip. België hinkt -zoals dat wel vaker gaat- nog wat achterop. Maar goed: er is geen haast bij. Marling heeft zoveel troeven in huis dat zelfs een dove er op de duur niet meer naast zal kunnen luisteren. (V2) 



37. Tamer Animals (Other Lives) 
Eerlijk: die eerste cd -van drie jaar geleden, kennelijk- was me destijds volkomen ontgaan, maar dit is een uitstekende, sfeervolle cd en als er een zwak nummer op staat moet ik het nog ontdekken. Dit Amerikaanse trio ontwerpt melodieuze, vaak melancholische muziek die rijkelijk gearrangeerd is met orgeks, klarinetten, violen, trompetten, Franse hoorns en cello's. Soms zo desolaat als Bon Iver, of met een ritme dat zo uit een Beirut-plaat kon zijn gelicht, maar altijd met een eigen identiteit. Zanger Jesse Tabish  zingt een beetje lijzig, en af en toe sijpelt er zelfs een beetje americana in door, maar de gelaagde achtergrondstemmen klinken zo angeliek dat het haast niet anders kan of Other Lives is het huisorkest van de hemel. (PIAS) 





38.  The Vision (Joker)
Hij komt uit Bristol, specialiseert zich in pompende bassen die zich tegen je middenrif aanvleien als een uppercut van Mohammed Ali, en strooit er vervolgens loeiende electronica over uit. Noem het r&b, maar dan wel de variant met dominante eighties-synthesizers en interludia die aan oude jingles van Nintendo computerspelletjes doen denken. In Groot-Brittannië is Joker al een tijdje een fenomeen, en op dit officieële debuut kleurt hij zondanig buiten de lijntjes van de traditionele dubstep dat hij straks vast ook elders een publiek vindt. De plaat holt alle kanten tegelijk op – je moet één enkele keer zelfs aan een uit de ketens gebroken Eminem denken- maar desondanks doet dit debuut (hij bracht eerder al wat ep’s en remixen uit) bijzonder coherent aan. Een joker met een visie. Je kan het zo gek niet bedenken. (4AD)







39.  The Human Octopus (Cascadeur)
Wat we weten: Cascadeur (het Franse begrip voor een stand-in) is de dekmantel van Alexandre Longo. Hij won drie jaar geleden een door het blad Les Inrockuptibles georganiseerde muziekwedstrijd en werkte nadien samen met een waaier aan bands, waaronder ook het Waalse Sharko. Leden van die groep werken nu ook mee aan 'The Human Octopus', een opmerkelijk debuut dat tot het beste behoort van wat ons de laatste jaren vanuit Frankrijk is komen aanwaaien. Om te beginnen behoort Cascadeur tot het selecte groepje zuiderburen wier Engels niet spontaan Inspector Clouseau in herinnering brengt. Helemaal accentoos zingt hij niet - de onvolprezen Björk evenmin - maar gecombineerd met zijn stemtimbre (ergens tussen James Blake, Thom Yorke en Nina Simone in) maakt het de muziek net broos en kwetsbaar. Centraal in de songs staat Longo's vereenzaamde pianospel, dat vaak richting hedendaags klassiek lonkt. Niet vreemd, gezien zijn academische opleiding. Opener 'Into the Wild' sluipt haast geruisloos binnen, voor het met strijkers en een meisjeskoor openbloeit met de gratie van een zeldzame orchideeënsoort. Nadien volgt 'Walker', een nummer dat op de radio net zo uit de middelmaat springt als James Blake onlangs. Cascadeur gebruikt weliswaar geen breakbeats, maar weet ondanks de uitvoerige arrangementen van de meeste songs toch een gevoel van stilte te suggereren. In 'Waiting', nog zo'n juweeltje, valt de muziek zelfs heel even stil om zichzelf onmiddellijk daarna weer tot leven te wekken. Cascadeur - een muzikale duizendpoot die zelf zingt, componeert, producet, mixt én speelt – heeft een heel eigen, erg persoonlijk geluid ontwikkeld. Die helm waarachter hij zich verschuilt, kennelijk ook tijdens interviews, hoeft wat ons betreft niet zo. Hij staat bovendien haaks op het warme, melancholische karakter van de muziek. Het gevaar bestaat dat de gimmick van zijn imago de muziek zal overschaduwen, en dat zou zonde zijn. The Human Octopus is namelijk een debuut dat in de eerste plaats op inhoud overtuigt. (Casablanca)



40.  Fallen Empires (Snow Patrol)
Voor het merendeel van het publiek zal Snow Patrol altijd die groep van 'Chasing Cars' blijven, een song die niet echt representatief is voor wat Gary Lightbody en zijn vrienden doorgaans doen, maar zo'n enorme hit is geweest dat je er moeilijk omheen kon. Op het nieuwe Fallen Empires probeert Snow Patrol uit de schaduw van dat ene nummer te treden. En dat lukt. De gitaren zijn er nog steeds, maar ze zijn dit keer wel in een dekentje van eighties-synthesizers gewikkeld.  De groep heeft zich een elektronischer geluid aangemeten en gaan ze verder op het pad dat met 'Just Say Yes' werd ingeslagen. 'Called Out in the Dark' zet die nieuwe koers het best in de verf: qua melodie en toon doet het nummer onmiddellijk vertrouwd aan, en dat grootse, naar een climax flitsende refrein is ook een typisch stijlkenmerk. Inhoudelijk gaat het, zoals haast altijd bij Lightbody, over zijn onvermogen om een relatie in stand te houden.  Lightbody vertelde onlangs dat het referentiekader voor Fallen Empires uit drie platen bestond: This Is Happening van LCD Soundsystem, Achtung Baby van U2 en The Suburbs van Arcade Fire. Het maakt van Fallen Empires een veelzijdige plaat die soms een beetje coherentie mist, maar de verrassing van de nieuwe weg, de kwaliteit van het songmateriaal én de ontwapenend openhartige teksten van Lightbody zorgen ervoor dat dit, ondanks de aarzelende kennismaking, toch weer een plaat is die je met plezier een paar keer per week uit de kast haalt. Kwestie van klaar te zijn als de groep volgende zomer torenhoog op de affiche van Werchter staat. (Fiction)





0 reacties:

Een reactie plaatsen