Ik was vijftien toen ik Meat Is Murder van The Smiths kocht. Op dat moment was ik al een paar jaar verloren voor de magie van de tandem Morrissey/Marr, en hun elpees -we hadden het nog over elpees, zolang is het geleden- maakten deel uit van de soundtrack bij mijn leven. De twee vulden elkaar perfect aan. De ene verzon sprankelende melodieën die me nostalgisch maakten naar een tijd die ik nooit had gekend, de andere zong over wat ik voelde, en deed dat bovendien met een pathos waar ik als jonge tiener niet ongevoelig voor was.
Maar Meat Is Murder vond ik zelfs op die leeftijd al een plaat van een heel andere orde. De titel alleen al bleef op mijn netvlies haperen. Ik ben -zoals de meesten van mijn generatie, wellicht- opgevoed met alle dagen vlees op mijn bord. Dat had ik tot op dat moment nooit in vraag gesteld. Ik kreeg het voorgeschoteld, en ik at het op. Lekker. En daarmee basta.
Ik had weinig geld en moest lang sparen om een plaat te kunnen kopen. En dus werd elk net verworven aanwinst van kop tot teen gemonsterd. Platenlabel, serienummer, songtitels, lengte, producer, gastmuzikanten en opnamestudio's. Vraag het en ik acht de kans niet gering dat ik ze nog allemaal kan opsommen. Maar het meeste tijd bracht ik uiteraard door met het tekstenvel in handen. En zo drukte Morrissey me voor het eerst met de neus op de feiten. This beautiful creature must die/A dead for no reason/And dead for no reason is murder. Op de achtergrond hoorde je vee op weg naar de slachtbank, dat met een electrische stroomstoot werd afgemaakt. Om het tegelijk warm en koud van te krijgen. Gruwelijk. Mensonterend. Beestachtig, had ik bijna gezegd. Maar dat is gelogen.
Ik zou willen zeggen dat ik daar en toen besloten heb om vegetariër te worden. Maar dat is uiteindelijk pas dik vijftien jaar later gebeurd. Het televisiejournaal toonde beelden die GAIA clandestien gedraaid had in het slachthuis van Anderlecht. Op een paar honderd meter van de redactie. The killing fields bleken om de hoek te liggen. Het was te dichtbij om te negeren en sindsdien eet ik geen vlees meer. Al is de behoefte om anderen te overhalen om hetzelfde te doen me vreemd. Meer nog: op restaurant met vrienden heb ik het wel eens meegemaakt dat zij mij wilden overhalen om toch terug een sappig steakje op te schrokken. De omgekeerde wereld, eigenlijk.
Momenteel lees ik Eating Animals van Jonathan Safran Foer, een boek dat ik iedereen kan aanbevelen. Niet omdat hij er mensen in veroordeelt die vlees eten. Dat doet hij niet. Maar wat hij wél doet is met een indrukwekkende reeks cijfers uitleggen hoeveel gruwelijks er in naam van een stuk vlees op je bord gebeurt. Ik ken veel mensen die sinds ze de laatste pagina uit hebben geen ham of salami meer hebben aangeraakt. En eerlijk: informeren lijkt me sowieso verstandiger dan veroordelen. Trouwens: ook al ben ik inmiddels al twaalf jaar vegetariër, als de omstandigheden me ertoe dwingen en ik er echt niet onderuit kan, zal ik geen scene maken als er vis wordt geserveerd. Evenmin ga ik hamburgerverkopers op festivals de huid vol schelden. Ze hoeven wat mij betreft ook niet verboden te worden, zoals Morrissey dat graag zou hebben. The Smiths vind ik - ook vandaag nog- één van de beste bands ter wereld, en het verzameld werk dat zopas werd heruitgegeven zou wat mij betreft in de lessen muziek onderwezen moeten worden. Maar voor wat Morrissey vandaag doet laat ik mijn slaap niet meer. Dat geldt, en het pleziert me niet dat vast te stellen, overigens ook voor de platen die hij de jongste paar jaar nog heeft uitgebracht.

0 reacties:
Een reactie plaatsen