Hij stond al langer op mijn verlanglijstje. Niet omdat ik zo'n gigantische fan van hem ben -dat zou gelogen zijn- maar omdat het me zo'n fijne man leek. Joe Cocker - onsterfelijk sinds de eerste Woodstock in '69- brengt volgende week voor het eerst sinds lang een nieuwe cd uit, en was maandag in Brussel om daar over te praten. Door allerlei omstandigheden was het me nooit eerder in gelukt hem te interviewen, dus na drie weken vakantie - de jetlag dreunde nog volop door mijn hoofd- was het een mooie manier om weer aan de slag te gaan.
En kijk: Cocker was alles wat ik ervan verwacht had, en bevestigde bovendien het cliché dat de grootste artiesten per definitie het meest bescheiden zijn. Cocker maakte er een punt van me bij de voornaam aan te spreken, deed zich niet beter voor als hij was - het ging ondermeer over zijn drankverslaving- en gaf toe stilaan aan zijn pensioen te denken. Het gesprek verliep gemoedelijk, alsof we met elkaar op café zaten. Dat soort ontmoetingen wordt alsmaar zeldzamer.
Niet alleen omdat er nog weinig artiesten zijn die veertig jaar meegaan, maar ook omdat de interviewtijd meestal zo kort wordt gehouden dat het alsmaar moeilijker wordt om een gesprek te voeren dat iets verder gaat dan het obligate promopraatje. In dit geval droeg het toeval zijn steentje bij. Cocker woont in Colorado, waar ik de dag nadien net van was teruggekeerd. Er werden ervaringen en adressen uitgewisseld. Impressies afgetoetst. Dit was de man van wie Paul McCartney zegt dat zijn versie van 'With A Little Help From My Friend s' beter is dan die van The Beatles. De zanger die -door 'You Can Leave Your Hat On' op te nemen- de onvolprezen Randy Newman jarenlang van een degelijk inkomen te voorzien. Een wereldster die ondanks het succes working class is gebleven.
Ik zal niet beweren dat de nieuwe cd van Cocker een meesterwerk is, maar ik geef toe dat ik er na het gesprek met meer plezier naar luister dan voor onze ontmoeting. En het liefst van al haal ik Live boven, een inmiddels bijna vergeten en nog nauwelijks te verkrijgen cd van twintig jaar geleden. Zelfs Cocker zelf kon zich het bestaan ervan nog amper herinneren. Hij bladerde door het cd-boekje alsof hij 'm nooit eerder had gezien. Cocker zat nog zwaar aan de drank toen de plaat uitkwam. Misschien was het dat wel.
Ik sluit niet uit dat mijn genegenheid voor die cd gewoon door nostalgie is ingegeven. In die periode zag ik 'm in het Sportpaleis en hij liet -net als eerder op Rock Werchter- een grootste indruk na. Een man die stokstijf achter de microfoon stond, maar tegelijk zo druk met zijn armen klapwiekte dat het wel leek of hij elk moment op kon stijgen. En dan die stem. Een rochel eigenlijk. Maar met de soul van een zwarte. Ik was veertien toen ik 'm voor het eerst zag. Vijfentwintig jaar later staat het mijn eerste gesprek met hem op tape. En ik was opnieuw onder de indruk. Zo authentiek maken ze ze vandaag niet meer. Als Joe Cocker over vier jaar met pensioen gaat - hij wordt zeventig, dan- zal ik met veel plezier aan onze ontmoeting terugdenken. Aan zijn hartverwarmende bescheidenheid, ook. Een verademing tussen al de omhooggevallen one hit wonders die ervoor kiezen om de hen toegemeten fifteen minutes of fame naast hun schoenen door te brengen.

0 reacties:
Een reactie plaatsen