maandag 28 december 2009

De compleet subjectieve TOP 40 van 2009


40. Slow Attack (BRETT ANDERSON)
In de jaren negentig behoorde Brett Anderson als zanger van Suede tot de top van de Britpop, maar sinds de split van die groep dwaalt Anderson steeds verder weg van de rock-'n-roll. Op Slow Attack, zijn derde soloplaat, grossiert hij in pastorale, verstilde popmuziek die de less is more-aanpak huldigt. Andersons zeer herkenbare stem staat centraal en wordt slechts aangevuld door een spaarzaam aangeslagen piano, een treurende cello en een oboe, klarinet of dwarsfluit. Denk de stem weg en je houdt kamermuziek over die geen raakpunt meer vertoont met wat Anderson vroeger deed. Een groot publiek zal hij er vast niet mee bereiken, maar nummers als 'Frozen Roads' en 'Hymn' zijn stemmig als een verlaten sneeuwlandschap.
HOOGTEPUNT: 'Hymn'


39. For Bitter Or Worse (ANOUK)
Anouk heeft een woelige periode achter de rug. Ze werd eerder dit jaar in de steek gelaten door rapper Postman (de vader van haar kinderen), maar heeft sinds kort een nieuwe vriend. Haar hervonden geluk straalt meteen af van 'Three Days in a Row', het qua sound aan Amy Winehouse herinnerende openingsnummer, en met voorsprong het meest opgewekte dat de zangeres op For Bitter or Worse te bieden heeft. Want dat de scheiding sporen heeft nagelaten, daar kan je niet naast luisteren. Dat Anouk lang een wrak is geweest blijkt niet alleen uit de opvallende hoes, waarop ze bont en blauw geslagen in de lens blikt, maar ook uit de als steeds erg openhartige teksten waarin ze uitgebreid haar wonden likt. Dat levert bij momenten hartverscheurende teksten op ('Scream until it blocks the sound', klinkt het ergens) en meer dan eens voel je je als luisteraar haast een voyeur. Op de koop toe ruilde Anouk haar robuuste gitaarrock in voor een iets bluesier geluid met briesende orgels, rechtlijnige ritmes en sensuele achtergrondkoortjes. Het resultaat overschaduwt met gemak haar jongste paar platen. Wie er al die jaren aan getwijfeld heeft of Anouk wel écht een soulzangeres is, hoeft zich daar niet langer het hoofd over te breken: she's the real thing.
DOWNLOAD EERST 'My Shoes'


38. The Crying Light (ANTONYAND THE JOHNSONS)
Op The Crying Light klinkt Antony Hegarty alsof hij alleen op de wereld is, al heeft het hem vijf jaar wroeten en twijfelen gekost voor de songs min of meer klonken zoals hij ze in zijn hoofd had. Zelf omschrijft hij de plaat als een meditatie over landschappen, over zijn verbondenheid met de natuur. Hegarty's geslachtsloze stem mijmerend langs de noten en slentert met een gratie die je eerder met ballet in verband brengt, dan met muziek. De teksten doen vaak wat impressionistisch aan ('I saw six eyes glistering in my womb' klinkt het enigszins bizar in 'Her Eyes Are Underneath The Ground') en het enige wat je er met zekerheid over kan vertellen is dat ze weinig opbeurend zijn. Uitzondering op de regel is 'One Dove', een nummer waarin Hegarty zijn liefde in allerlei dierenmetaforen vervat en zo in de buurt komt van iets wat je met wat goede wil een echte popsong kan noemen. Maar om het nu een opgewekt lied te noemen? Nee, dat zou ons te ver leiden. Al is dat uiteraard geen reden om deze plaat links te laten liggen. Wie de moeite doet om zich te begraven in The Crying Light kan onmogelijk onverschillig blijven bij de onwezenlijke schoonheid die in elke vezel van de songs vervat zit.
HOOGTEPUNT: 'Another World'



37. Merg (GUY VAN NUETEN)
Als pianist van The Sands schreef hij in een stoffig verleden al Belgische muziekgeschiedenis met het onsterfelijke ‘April & June’, en als gastmuzikant diende hij de grillen van moeilijke klanten als Tom Barman, Admiral Freebee en Tim Van Hamel. Niettemin voelt hij zich kennelijk het beste in de schaduwrijke omgeving van de anonimiteit, reden waarom hij met een zak over z’n hoofd voor de hoesfoto poseert. Ook Merg behoort niet het soort cd’s dat met veel omhaal om aandacht schreeuwt. Het is gitzwarte pianomuziek - geen stem te bekennen- die Bach en barok in herinnering brengen, en aandoen als een verwerkingsproces na een zwaar verlies. Al kan er -getuige het absurd getitelde 'Adagio niet in B'- toch nog een knipoog vanaf. Een heuse Steinway To Heaven.
HOOGTEPUNT: ‘Agressie'


36. Humbug (ARCTIC MONKEYS)
Arctic Monkeys behoort ongetwijfeld tot de productiefste groepen van haar generatie. Dit is de derde cd op vier jaar tijd, zanger Alex Turner nam intussen ook nog een plaat op met The Last Shadow Puppets, en ook voor Humbug werden liefst veertig nieuwe nummers geschreven. Bovendien worden Turners songteksten almaar gevatter, en beheerst hij de kunst van de ironie zoals een trapezeartiest zijn evenwicht. Zelfs als zanger heeft de jonge frontman een merkwaardige evolutie heeft ondergaan. Zijn stem snauwt minder, is gerijpt, en hij heeft een warmbloedige croonerstem ontwikkeld die - in 'My Propeller' - zowaar sexy klinkt. Nog beter is 'Cornerstone', waarin het gaat over meisjes ontmoeten en de onvermijdelijke confrontatie met je eigen tekortkomingen. Om kort te gaan: Arctic Monkeys heeft de hype overleefd en is inmiddels een (jong) volwassen groep geworden. Een groep, maar te oordelen aan het tempo dat de band sprongen vooruit zet, ook een werk in uitvoering. Geen idee waar dat de Monkeys uiteindelijk naartoe zal brengen. Maar op dit moment is de weg er naartoe minstens even spannend als de bestemming.
HOOGTEPUNT: 'Cornerstone'


35. Isbells (ISBELLS)
Het beste bewijs dat de Amerikaanse countryside aan Limburg grenst. De kale, stemmig gearrangeerde nummers hebben stuk voor stuk een reis met de trein der traagheid geboelt, verlangen naar rust, stilte en ingetogen schoonheid. De referenties liggen -John Martyn, Nick Drake, Bon Iver, Fleet Foxes- liggen voor de hand, en toch zet Gaëtan Vandewoude -de man achter de groepsnaam- al die invloeden helemaal naar zijn hand, kneedt hij ze tot de stemming helemaal de zijne is. Hier en daar komt er een zucht tuba of een noot klarinet langs, die de desolate, zelfs wat wanhopige toon van nummers als ‘Without A Doubt’ en ‘Reunite’ nog meer onderstrepen. Wanhopig, maar nooit klef of pathetisch. Ontroerend mooi.
HOOGTEPUNT: 'As Long as it Takes'



34. It’s Not Me, It’s You (LILY ALLEN)
Toen Lily Allen twee jaar geleden haar eerste stappen in de muziek zette, zag je dat ze geen doordeweeks zangeresje was. Ze kwam uit een gegoede achtergrond, leek volwassener dan haar leeftijd deed vermoeden en raakte in de nummers die ze zong thema's aan die je zelden in een popnummer aantreft. Ook It's Not Me, It's You klinkt zo confessioneel dat je soms met rode oren naar de songs zit te luisteren. Die jeugdige onschuld van toen is ze inmiddels een beetje kwijtgeraakt. Allen heeft inmiddels een depressie achter de rug, kreeg een miskraam te verwerken, zag haar relatie stranden en moest ermee leren omgaan dat haar doen en laten door paparazzi werd vastgelegd. Niettemin schetst Allen opnieuw een beeld van hoe het is om een jong meisje te zijn in Groot-Brittannië aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Ze zingt in zinderende zinnen over urenlange pijpbeurten terwijl hij haar niet laat klaarkomen ('Not Fair'), de vader die ze liefheeft terwijl hij haar jarenlang verwaarloosde ('He Wasn't There'), de vraag waar God zich mee bezighoudt ('Him') en spuwt haar gal over de vorige president van de Verenigde Staten (het iets te ironische 'Fuck You').
Het muzikale idioom waarin Lily Allen zich op haar tweede cd voortbeweegt is bovendieneen stuk breder, kantelt van pure pop en electro over bleke reggae, country en zigeunermuziek tot ouderwetse showtunes. Die variatie zorgt er voor dat de plaat geen moment verveelt. It's Not Me, It's You is een uitstekende, buitengewoon frisse popplaat van een meisje dat ook nog iets te zeggen heeft. Over sex, drugs, rock -'n-roll en afhaalchinees. Het leven zelf, eigenlijk. Of juister: haar leven. Want als het laatste nummer is uitgestorven blijf je achter met de indruk dat je Lily Allen beter kent dan je eigen moeder.
HOOGTEPUNT: 'The Fear'



33. Coeur De Pirate (COEUR DE PIRATE)
Behoorlijk populair onder de taalgrens, maar compleet onbekend erboven: het debuut van deze piepjonge Canadese zangeres -een voormalig naakmodel, no less- hield het midden tussen de confessionele folkliedjes van Carla Bruni’s eerste cd, en combineerde dat met het soort openhartige teksten waar Lily Allen ook een patent op heeft. Ontwapenend naiëf, soms, maar los van haar bewogen, veelbesproken verleden spraken de songs voor zichzelf.
HOOGTEPUNT: ‘Berceuse’


32. Nightbook (LUDOVICO EINAUDI)
Ver weg van de rock-’n-roll, in het afgelegen eiland waar gelijkgezinde muzikanten als Wim Mertens, Craig Armstrong en Michael Nyman zich ophouden, bedenkt de Italiaanse Ludovico Einaudi sfeervolle, melancholische pianoplaten die door mensen die niet beter weten -of een nog slechter karakter hebben dan ikzelf- gemakshalve bij new-age ingedeeld. Maar laat ons wel wezen; dit is hedendaagse klassieke muziek die hokjes en genres overstijgt, en -hoewel er in de verte raakpunten zijn met Satie en Jarrett- inmiddels bijna een niche op zichzelf is geworden. Einaudi’s intimistische pianospel doet erg minimalistisch aan, maar keer op keer komt er algauw een hypnotische melodie aan de oppervlakte die je het nummer binnentrekt als zat er een enorme stofzuiger onder de toetsen. Elders levert de wissselwerking tussen piano,cello en zachtjes voortkabbelende electronica wonderlijke resultaten op. Tijdloos mooi.
HOOGTEPUNT ‘Snow Preludes’


31. Kingdom of Rust (DOVES)
Kingdom of Rust is dus niet zonder slag of stoot tot stand gekomen. Twee jaar geleden werd een haast volledig afgewerkte plaat door de groepsleden zelf afgekeurd en begonnen ze opnieuw omdat de songs te veel in het verlengde lagen met wat ze al eerder hadden gedaan. Ik zou er geld voor geven om die nummers te horen. Maar nu de vierde van Doves er is, kan er geen twijfel over bestaan dat het trio een meesterwerk heeft gemaakt; weidse, bijna hypnotiserende folkrock die op geen enkel moment kneuterig of belegen aandoet, maar voluit op grootse emoties mikt.
De verpletterende opener 'Jetstream' illustreert die stelling uitstekend: vijf glorieuze minuten die in een rechte lijn naar een climax opbouwen, zowel via epische rock als Kraftwerk-techno passeren en meteen de lat hoog leggen voor de rest van de cd. Met de titelsong kantelt de plaat meteen naar een andere sfeer. Ik aarzel om het country te noemen, al hobbelt het nummer op een ritme uit een oude Johnny Cash-elpee waar de trompetten zijn vervangen door strijkers die 'm nog tijdlozer maken. 'Winter Hill' is weer van een andere orde, de song had iets van Oasis kunnen zijn, mocht het niet zo subtiel en inventief gearrangeerd klinken. Een blik op de teksten en je hoort dat lang niet alles de voorbije jaren rimpelloos is verlopen in het kamp van de groep. Er zijn relaties stukgelopen, verliezen geleden en wonden gelikt. This is what it sounds like, when doves cry, kortom. Maar bloedmooi, natuurlijk. Dat dan weer wel.
HOOGTEPUNT: 'Jetstream'


30. The Bowery (FIREKITES)
Wie zich graag wentelt in de melancholie die de herfst met zich meebrengt komt niets te kort dezer dagen. Grijs en grauw weer. Regen tegen de ramen. Temperaturen die met ware doodsverachting de diepte in duiken. Het duister dat iedere  dag weer wat vroeger aanklopt dan de vorige. En zoals je je kledij aanpast aan de seizoenen, zo verschijnt er ook muziek die bij de jaargetijden past. The Bowery, het debuut van de Australische groep Firekites, is er zo één: een ingetogen, grotendeels akoestische herfstplaat waar de nagedachtenis van Nick Drake doorheen waait, en die raakpunten vertoont met het beste van Kings Of Convenience en Elliott Smith: rustieke, verstilde melodieën, ingetogen zang, slaperige folk en lo-fi electronica. Maar het resultaat is van die aard dat je er onmiddellijk verslingerd aan raakt. En keer op keer - of het nu over ‘Paris’, ‘By Night’ of het dromerige ‘Skimming Rooftops’ gaat- hebben de nummers de stilte als refrein. De kans dat dit trio met The Bowery snel in de Top 50 zal geraken is klein. Maar wie de cd ontdekt zal hem koesteren als was het dat loterijbriefje waarmee je net een bedrag met vijf cijfers gewonnen hebt.
HOOGTEPUNT ‘Last Ships’


29. Playing The Piano (RYUICHI SAKAMOTO)
Ryuichi Sakamoto heeft thuis een Oscar, een Grammy en een Golden Globe in de kast staan. Hij werd wereldberoemd als de tegenspeler van David Bowie in de filmclassic Merry Christmas Mr. Laurence, is in Azië populairder dan Madonna of U2, en behoort bovendien als lid van het revolutionaire Yellow Magic Orchestra tot de grondleggers van de techno. Maar het bekendst is de Japanner vanwege zijn prachtige soundtracks bij films van Almodóvar, Bertolucci, Brian De Palma en Oliver Stone. Playing the Piano, waarop hij solo op piano een aantal van zijn bekendste nummers vertolkt houdt het midden tussen klassiek en avant-garde. De eerste cd ligt goed in het gehoor, de tweede - een soort muzikaal verslag van zijn reis naar ijsland en de noordpool. Soms bevreemdend, maar altijd fascinerend.
HOOGTEPUNT ‘Merry Christmas, Mr. Laurence’


28. The XX (THE XX)
Of ook: hoe koele, zelfs wat afstandelijke electropop toch hartverwarmend kan klinken. Afkomstig uit dezelfde Londense clubscene die ook Hot Chip, Four Tet en Burial heeft voortgebracht klinkt deze spartaanse verzameling jongen/meisjes duetten bij momenten nog het meest als een eigentijdse versie van de vergeten Young Marble Giants. Je hoort echo’s van Portishead voorbijtrekken, en zangeres Romy Madley Croft prikkelt de verbeelding zoals een egel dat met onvoorzichtige passanten doet. Minimalistisch en toch soulvol: The XX bewijst dat het geen contradictie hoeft te zijn.
HOOGTEPUNT: 'Crystalised'


27. A Good Day (PRISCILLA AHN)
Ze heeft de looks, de songs, de stem en het label om van haar een nieuwe Norah Jones te maken. Met A Good Day dient de Amerikaanse Priscilla Ahn zich aan als een belofte die erin geslaagd is de frisheid van lentebloesem te vangen in elf korte songs waarin geen enkele noot overbodig is. Haar bio leest als het scenario van het soort rags to riches-films waar ze in Hollywood tuk op zijn: klein meisje stopt al haar spullen in haar auto - "twee gitaren, kleren en wat andere troep die ik eigenlijk niet nodig had"- en verhuist van Pennsylvania naar het kosmopolitische Los Angeles met de droom er ontdekt te worden. Niet via MySpace, Youtube of een ander gehyped medium, maar op de ouderwetse manier: door te spelen.
Die attitude komt ook aan de oppervlakte in haar nummers: ambachtelijk vervaardigde liedjes die in hoofdzaak op akoestische instrumenten worden gespeeld, zonder uitzondering smaakvol gearrangeerd zijn en het vooral moeten hebben van sterke melodieën en meeslepende refreinen. Ahn is niet het soort artieste dat met veel bombarie de aandacht opeist. In plaats van de songs vol te stouwen met allerlei effectjes, heeft hij voor een economisch live-geluid gekozen, waar nodig achteraf bijgekleurd met een zucht mondharmonica, wat cello en - een enkele keer- zelfs een zingende zaag. Het resultaat is zachte, subtiele, misschien zelfs wat brave gospelfolk met een mespuntje  jazz.  Een discreet, sensueel en -als de optelsom gemaakt moet worden - overtuigend debuut van een zangeres die beseft dat je met fluisteren soms verder komt dan met luid van de daken te schreeuwen.
HOOGTEPUNT: 'Dream'


26. Das Pop (DAS POP)
De derde cd van Das Pop is de voorbije jaren al zo vaak aangekondigd dat je je stilaan begon af te vragen of die plaat wel echt bestond. Internationale deals werden onderhandeld en sprongen weer af, releasedata werden keer op keer uitgesteld. Maar was het wachten waard. Opener 'Underground' zet meteen de bakens uit: sprankelende, strak gespeelde pop met een refrein dat zich al bij de eerste beluistering in je hersenen boort, voortdendert op een uit de Motownarchieven ontvoerd ritme, en wordt opgesmukt met strijkers die je spontaan aan een op hol geslagen Barry White doen denken. Om kort te gaan: een nummer dat van Tokyo tot New York niet van de radio zou weg te branden moeten zijn. 'You Don't Wanna Know' klinkt wat donkerder, maar dan wordt je aandacht getrokken door een zin als 'She smells like horses and champagne' en weet je dat de groep de tongue inmiddels nadrukkelijk in cheek heeft gelegd. 'Wings', weer zo'n song die geen tegenspraak duldt, is het soort popmuziek waarvan je bijna bang was dat ze niet meer gemaakt werd: puur, pretentieloos en met het soort gelaagde Electric Light Orchestrakoortje dat je zowaar nostalgisch maakt naar de tijd dat melodie nog belangrijker was dan de juiste spijkerbroek. Best van al is het ronduit onweerstaanbare 'Never Get Enough', een song die zo licht is als een met helium gevulde ballon, complexloos het leven en de liefde viert, maar niettemin nooit gratuit aandoet.
HOOGTEPUNT ‘Never Get Enough’

25. Strict Joy (THE SWELL SEASON)
Toen Glen Hansard en Markéta Irglová's -samen The Swell Season- zowaar een Oscar kregen voor hun aandeel in de Ierse independentfilm Once stonden ze daar zelf nog het meest van te kijken. En terwijl hun rol in de film ongewild ook het verhaal vertelde van hun eigen romance die daar uit voortvloeide, brengt Strict Joy op even precieze wijze verslag uit van de breuk tussen beiden. De plaat klinkt bijgevolg als -het is wat raar geformuleerd, besef ik- als een euforische mislukking. Je hoort hartstocht en passie in elke song, en ondanks de thematiek dansen een aanzienlijk deel van de nummers op het withete ritme van Keltische soul. En zoals Rumours van Fleetwood Mac ondanks de breuken tussen de groepsleden een hecht geheelvormde, zo zorgt ook de sexuele spanning tussen Hansard en Irglova ervoor dat de songs tot een in vitriool geschreven afrekening verzanden. Zoals Irglová zingt in ‘Fantasy Man’: The force that swept us both away was too strong for us to fight. Krop in de keel.
HOOGTEPUNT: ‘The Rain’


24. I Never Thought This Day Would Come (DUKE SPECIAL)
Beetje vreemd dus dat deze tweede cd van Duke Special op een piepklein label verscheen, waardoor de kans om een ruimer publiek te bereiken haast vanzelf decimeert werd. Zonde, want Peter Wilson -het Ierse accent ligt er nog altijd centimeters dik op - handelt in klassieke pianopop die avontuurlijk gearrangeerd wordt met een instrumentarium dat je veeleer met cabaret en jazz uit de jaren dertig associeert. Trompet, banjo, staande bas, accordeon, klarinet, stoomorgel..., alle klankkleuren opsommen zou algauw een halve blog in beslag nemen, maar het volstaat te zeggen dat het de cd tot een gevarieerd geheel maakt. Tel daar nog een heel orkest bij, en een achtergrondkoor dat bij momenten een deuntje meezingt, en je krijgt vast de indruk dat Duke Special voor een soort bombast kiest dat je haast als vanzelf met zo'n grote bezetting associeert. Niets van dat alles, evenwel, want even vaak huldigt Wilson een minimale aanpak. En eerlijk gezegd: de songs die hij geschreven heeft zijn zo sterk en kleurig dat ze zelfs begeleid door twee soeplepels een onuitwisbare indruk zouden nalaten. En ook al klinken de nieuwe nummers een tikje somberder dan de vorige keer, toch spreekt er een onmiskenbare joie de vivre uit iedere noot. Het enige wat hij nooit doet, ook niet na de dertigste luisterbeurt, is vervelen.
HOOGTEPUNT ‘Why Does Anybody Love?'



23. Journal For Plague Lovers (MANIC STREET PREACHERS)
Ze lopen niet dik gezaaid, de bands die ook met hun negende cd nog hoge ogen gooien. Op Journal For Plague Lovers zetten ze uitsluitend songteksten op muziek van hun in ‘95 overleden collega Richey Edwards op muziek, en dat levert een intens, emotioneel eerbetoon op. De thena’s liggen, zoals meestal bij Edwards liggen zwaar op de hand. Het gaat over Marlon Brando, ziekte, de afkeer voor de consumptiematschappij en de verheerlijking van de celebritycultuur. Daardoor wordt het -zowel qua inhoud als qua vorm- het eigenlijke vervolg op The Holy Bible, de laatste groep die de Manics als kwartet uitbrachten. Een delicate onderneming, maar Journal For Plague Lovers is het ultieme requiem voor een betreurde boezemvriend. Sereen, maar toch explosief.
HOOGTEPUNT:‘Jackie Collins Existential Question Time’

22. Balm In Gilead (RICKIE LEE JONES)
Sinds haar debuut in 1979 ontplooide Rickie Lee Jones zich tot een van de belangrijkste singer-songwriters van haar tijd. Eigenlijk is ze zowat een genre op zichzelf geworden, en de diversiteit van de gasten op haar twaalfde cd - van Ben Harper over Alison Krauss tot Bill Frisell - geeft aan dat de invloed van de New Yorkse zangeres zich uitstrekt tot alle uithoeken van de pop. Op Balm In Gilead staan nummers waar Jones soms al twintig jaar mee heeft samengeleefd, en dat voel je. 'His Jeweled Floor' schurkt tegen gospel aan, maar veel vaker zoekt ze het verstilde niemandsland op tussen jazz, folk en country. Haar unieke stem besprenkelt 'The Moon Is Made of Gold' en 'Eucalyptus Trail' met een mespuntje magie, maar de composities zijn even sterk als tijdloos. Los van modes blijft Rickie Lee Jones koppig haar eigen parcours uitstippelen. Deze keer resulteert dat in een van haar beste cd's.
HOOGTEPUNT: 'His Jeweled Floor'


21. Breakthrough (COLBIE CAILLAT)
Het fijnste guilty pleasure dat 2009 heeft doorgebracht. Licht en gladjes, maar toch fris en charmant. In haar nummers heeft ze het over de liefde en de strubbelingen die daarmee gepaard gaan, maar je twijfelt niet dat ze uit ervaring spreekt. Caillat zingt goed en heeft de kunst onder de knie om luchtige, aanstekelijke melodieën te bedenken die in je hoofd blijven hangen. Caillats vader was co-producer van Fleetwood Macs Rumours, en ook dat hoor je: net als haar voorbeelden grossiert ze in ambachtelijke, met zorg gemaakte westcoastpop die altijd zonnig klinkt. Alleen 'Lucky' - een duet met Jason Mraz - is wat te zoet. Verder schemert er een zomerse, pretentieloze onschuld door Breakthrough waar moeilijk aan te weerstaan is.
HOOGTEPUNT: 'Fallin' for You'



0 reacties:

Een reactie plaatsen