Het komt altijd onverwacht wanneer een reus het loodje legt. Omdat het een ontknoping is op een scenario waar je eigenlijk nooit rekening mee had gehouden. Vergelijk het met een lange, spannende avonturenfilm waar de held na een schijnbaar eindeloze reeks halsbrekende toeren uitglijdt over een bananenschil en het niet overleeft. Ramses Shaffy was zo'n reus. Geleefd voor tien, gerookt als een ketter, genoeg alcohol gedronken om in te verdrinken, en alles gedaan wat god verboden heeft. En hij raakte ermee weg. Omdat hij ijzersterk was. Met een nauwelijks in te tomen lust for life.
De laatste jaren hoorde ik van gemeenschappelijke vrienden steeds vaker dat het slecht met hem ging, maar telkens ik de indruk kreeg dat het bijna was afgelopen, kroop Shaffy door het oog van de naald, rechtte hij de rug en leek het bijna of niets hem er ooit onder zou krijgen.
Vorig jaar ben ik 'm gaan interviewen in het tehuis waar zijn vriendin Liesbeth List hem in 2001 had ondergebracht. Dat was een hele belevenis. Spannend, ook. Omdat ik mezelf erop betrapte dat ik me een beetje geïntimideerd voelde door zijn aanwezigheid, iets waar ik verder zelden of nooit last van heb. Ik sprak hem zelfs in de U-vorm aan. Iets wat ik uit principe vertik. Niet uit gebrek aan respect voor muzikanten. Maar omdat popmuziek per definitie een informeel medium is.
Wellicht had het ook wel te maken met zijn reputatie. Voor ik bij hem in Amsterdam stond had men me gewaarschuwd dat Shaffy zijn nukken kon hebben. De drank had zijn geheugen weggebrand, en vaak wilde hij gewoon helemaal niet praten. Wat overigens de reden was waarom hij nog zelden of nooit interviews gaf. Maar het zat mee: Shaffy had een goeie dag. Niettemin was het hartverscheurend om zo'n monument in een tehuis tussen dementerende bejaarden te zien zitten. Hij schuifelde langzaam vooruit, klampte zich vast aan een looprekje, en mompelde wat voor zich uit. Ik zou liegen mocht ik 'm onvriendelijk noemen - hij leek zelfs oprecht gecharmeerd dat iemand hem helemaal uit België was komen opzoeken- maar tijdens het interview duurde het toch even voor zijn antwoorden langer werden dan een nietszeggende oneliner.
En hoewel hij gevangen zat in een lichaam dat zijn temperament niet meer kon dragen, voelde je dat die jonge wildebras van vroeger nog steeds achter zijn ribben zat. De woeste dromer was niet dood. En de Slavische passie die zijn nummers tekende - zijn moeder was een Poolse van Russische afkomst- kwam weer boven. Grote gebaren. Intense blik in de ogen. Gegroefde emoties. Tijdens ons gesprek rookte Shaffy Marlboro's aan een tempo waar geen redelijk mens tegenop kon, en dronk hij de halfliterflesjes Bordeaux die hij eerder op de dag in het winkeltje van het tehuis had gekocht. Stiekem rookte hij ook nog wel eens een joint. En de vodka die hem fysiek verwoest had, daar kon Shaffy evenmin afscheid van nemen.
Ik bewaar een warme herinnering aan die dag. Omdat ik in die lichamelijk gekraakte man toch weer het vuur zag opwellen dat vele jaren eerder zijn beste werk had getekend. Want Ramses Shaffy, dat was de Jacques Brel van Nederland. Een icoon. Een flamboyant figuur dat niet anders kon dan op de rand van de afgrond leven, met een gulzigheid die hem groots en kwetsbaar tegelijk maakte. Toen ik vanmorgen het nieuws van zijn overlijden vernam, deed me dat dus wel wat. Daarnet heb ik -met een klein hart- de tape van dat laatste gesprek uitgetikt. Die gebroken stem. Die hese, wat monkelende glimlach. En vooral: die quote waarin Shaffy zei dat de dood hem niet afschrikte. Hij was vooral nieuwsgierig naar dat laatste moment. De dood, dat vond hij een moment als een ander. Zolang er achteraf lekkere wijn werd geschonken kon het hem allemaal niet zoveel schelen. En vandaag was het dan zover. Vanmorgen is hij -na zesenzeventig jaar woest leven- rustig ingeslapen. Het zal stil worden in Amsterdam. Maar zijn liedjes zullen -thank god- voor altijd door de straten blijven zwerven.
(foto copyright www.alexvanhee.be)
(foto copyright www.alexvanhee.be)

0 reacties:
Een reactie plaatsen