20. Manofon (DAVID SYLVIAN)
Met de jaren is David Sylvian alsmaar verder van de conventionele popmuziek afgedwaald, en wie stiekem hoopt dat de voormalige aanvoerder van Japan snel nog eens een cd zal maken die in het verlengde ligt van classics als Brilliant Trees en Gone To Earth zal ook dit keer bedrogen uitkomen. Niettemin is Manafon na het met laptops in elkaar geknutselde Blemish opnieuw een intrigerende plaat die je niet zomaar als achtergrondgeluid opzet. De muziek is uitgedund tot een occasionele pluk aan de gitaar, een plonk piano en een kraak uit een draaitafel. Easy listening is het dus niet, maar de warme, mijmerende stem van Sylvian zorgt er toch voor dat je niet moet doorgeleerd hebben om te smelten voor nummers als 'Random Acts Of Senseless Violence' en 'The Greatest Living Englishman'. De sfeer is uitgesproken intiem - vaak lijkt het of hij je de teksten letterlijk in het oor fluistert- en de less is more-benadering wérkt. De songs klinken verlaten en vragen je onverdeelde aandacht, dat is waar, maar wie de tijd neemt om Manafon te doorgronden zal snel merken dat de inspanning de moeite loont. Zo moeilijk als de nummers bij de eerste kennismaking lijken, zo bloedmooi worden ze achteraf. Een minimalistische soundtrack bij een verstilde, eenzame nacht.
HOOGTEPUNT: 'The Greatest Living Englishman'
19. Declaration Of Dependence (KINGS OF CONVENIENCE)
Eerlijk gezegd: ik had Kings Of Convenience al afgeschreven. Na Quiet Is The New Loud -het debuut uit 2001, alweer- had dit duo uit het Noorse Bergen nog weinig opzienbarends laten horen, en leken de twee los van elkaar een solocarrière uit te bouwen. Maar deze derde cd grijpt terug naar de spartaanse folk van vroeger. Meer dan twee stemmen en een paar akoestische gitaren is er meestal niet te horen, maar daardoor valt het niveau van de nummers nog meer op: knap geconstrueerde composities die weinig poespas nodig hebben om te overtuigen. Als een schuchtere versie van Simon & Garfunkel mijmeren ze een eind weg over verloren liefdes, de wankele machtsverhoudingen in een relatie, en de voortdurende twijfel die soms als een loodzwaar gewicht op je schouders wordt gedropt. Het klinkt allemaal herkenbaar, en ook daarom is Declaration Of Dependence die na elke beluistering wat dieper onder de huid kruipt. Nog verstilder dan Quit Is The New Loud. Maar minstens even knap.
HOOGTEPUNT: ‘Boat Behind’
18. If On A Winter’s Night... (STING)
Na de reünietournee van The Police - de meest lucratieve in de rockgeschiedenis- opteerde Sting voor een project dat er haast haaks tegenover staat: een intieme folkplaat vol nummers met de winter als gemeenschappelijk thema, deels opgenomen in een kleine bezetting bij hem thuis in Toscane. Naast vaak eeuwenoude traditionals ook een paar herwerkingen van eigen songs die prima in het geheel passen. Met rock-’n-roll heeft dit uiteraard weinig vandoen, en wie maar niettemin: een ingetogen, contemplatieve prachtplaat van iemand die op zijn achtenvijftigste niet langer de behoefte voelt om jonger te klinken dan hij is.
HOOGTEPUNT ‘The Hounds Of Winter’
17. Conditions (THE TEMPER TRAP)
Waar is de tijd dat er met een gezonde regelmaat nog nieuwe groepen uit Australië kwamen aangespoeld? In de jaren tachtig waren INXS en Midnight Oil heuse topgroepen, en wie zijn pop nog puurder lustte kon de honger stillen bij onweerstaanbare groepen als The Triffids, The Go-Betweens, The Church en het ook daar al ingeweken Crowded House. Sindsdien hebben eigenlijk alleen Nick Cave en AC/DC stand gehouden, maar The Temper Trap poogt het tij nu te keren met Conditions, een veelbelovend debuut waar je beurtelings echo's van Arcade Fire, Radiohead, Coldplay en zelfs de prille U2 in opvangt. Daarnaast legt de band een opmerkelijk gevoel voor melodie aan de dag. The Temper Trap speelt met hooks en achtergrondkoortjes zoals een peuter met legoblokken, en vooral zanger Dougy Mandagi - een man wiens roots in Hawaï en Indonesië liggen - blijkt een troef waarmee het gezelschap zich van gelijksoortige bands onderscheidt. Conditions is een groeiplaat. Het duurt een paar draaibeurten voor de songs openbloeien, en er gaat wat tijd overheen voor de stem van Mandagi zich écht comfortabel in je oren nestelt. Maar eens dat gebeurd is, wordt dit debuut al snel het soort cd dat je zonder nadenken uit de stapel nieuwe aanwinsten haalt, en met een dagelijkse regelmaat blijft beluisteren. Een groep om dicht bij het hart te houden.
HOOGTEPUNT: 'Sweet Disposition'
16. Enter The Characters (CUSTOMS)
Met Enter the Characters levert Customs niet alleen een sterk debuut af, maar tekent de groep ook voor de Belgische cd van het jaar. De uitstekende single 'Rex' gaf al aan dat dit gezelschap een voorliefde koest voor de postpunkbands van de vroege jaren tachtig. Ook de rest van Enter the Characters grossiert in donkere, maar dynamische rocksongs die spontaan doen terugdenken aan Echo & The Bunnymen, The Sound, Joy Division en Red Lorry Yellow Lorry. Of aan The House Of Love op speed. Geen toeval, dus, dat ze van die laatste 'Shine On' op het repertoire hebben staan. Op basis van al die referenties wordt Customs nu gemakshalve het Belgische antwoord op Interpol genoemd, maar dat is wat kort door de bocht. Allemaal goed en wel, maar u wilt natuurlijk weten of de hit 'Rex' een gelukstreffer was. Wel: neen.
Al bij de eerste beluistering valt namelijk het niveau van de songs op: zonder uitzondering nummers met een goed begin, een sterk refrein en een einde die naam waardig. De ritmes zitten strakker dan een maatje vierendertig, de gitaren sprankelen als Spa Rood en altijd duiken er melodieën op die je niet meer uit je hoofd krijgt. Op de koop toe zijn de songs compact en stellen ze het afscheid na de laatste strofe niet te lang uit. Origineel en vernieuwend kun je het allemaal niet noemen, maar Customs slaagt er wel in om fris te klinken in een genre waar alles al gedaan is, en de wannabe Joy Divisions elkaar voor de voeten lopen. Op Editors na is er geen enkele andere band die dat voor elkaar krijgt. Kortom: geen geringe verdienste.
HOOGTEPUNT 'The Matador'
15. Sunny Side Up (PAOLO NUTINI)
Net als James Blunt en James Morrison behoort Paolo Nutini tot de nieuwe lichting singer-songwriters die zich gelaafd hebben aan de verzameling soulplaten van hun ouders en er bovendien geen graten in vinden om hun gevoelige kant bloot te leggen. In Groot-Brittannië, waar zijn debuut drie jaar geleden al meer dan één miljoen keer over de toonbank ging, leverde hem dat behalve een nummer 1-hit ook voorprogramma's op bij de Stones en Led Zeppelin.
Op Sunny Side up is de warme, grofkorrelige stem van de 22-jarige Nutini intact gebleven. Omringd door krolse blazers, een briesende hammond en een swingende ritmesectie zou je bij momenten - in het bijzonder bij het uitstekende 'Coming up Easy' - zweren dat je naar pas ontdekte opnamen van Otis Redding zit te luisteren. Elders schemert de celtic soul van de jonge Van Morrison door. De productie is bewust ruw gehouden. En zelfs wanneer het louter akoestisch blijft, zoals bij het ingetogen 'Tricks of the Trade', klinkt het resultaat net zo levendig als bij de bruisende New Orleansjazz van 'Pencil Full of Lead'. Een verrassende en gevarieerde popplaat die Nutini uit het hokje tilt waar James Blunt nu een beetje verweesd achterblijft. Nutini heeft het en beschikt over alle troeven om ook buiten Groot-Brittannië een begrip te worden. Een prachtplaat.
HOOGTEPUNT: 'Coming up Easy'
14. Fever Ray (FEVER RAY)
Met Fever Ray springt zangeres Karin Dreijer Andersson voor het eerst alleen in het diepe, al weet je na een paar beluisteringen dat ze zacht zal vallen. Een aantal van de basiselementen van The Knife -de groep die ze samen met haar broer vormt-, zoals het spelen met stemvervormers om zo het verwachtingspatroon van hoe een vrouw hoort te klinken te doorbreken, is bijvoorbeeld bewaard gebleven, en ook de sprookjesachtige sfeer, onbehaaglijk en somber maar tegelijk heel intrigerend en sensueel, klinkt vertrouwd in de oren. Dreijers soms wat kille, afstandelijke stem wordt uitgespeeld tegen eighties-synthesizers, tribale ritmes, en een basriedel die achteraf nog lang in je hoofd blijft ronddwalen, terwijl het op andere nummers lijkt of er een heel koor aan het werk is. Het draagt allemaal bij tot de mysterieuze wereld waarin ze je binnenlokt. Maar eens je de poort achter je in het slot hoort vallen, lijkt het of je elke notie van plaats en tijd verliest en alle zekerheden onder je voeten wegzakken. Dat klinkt griezeliger dan het is, want de popsongs waarin je vervolgens verdwaalt zijn er waar je niet meteen weerwerk tegen wil bieden, ook al is het even wennen aan het geluidenarsenaal waarvan Dreijer zich bedient. Bovendien is 'Seven' vast de eerste popsong waar het woord 'vaatwastabletten' in gebezigd wordt. Het is weer eens wat anders dan blue op you laten rijmen.
HOOGTEPUNT: 'When I Grow Up'
13. Walking On A Dream (EMPIRE OF THE SUN)
De Australiër Luke Steele is altijd al een beetje kierewiet geweest. Toen zijn platenfirma een paar jaar geleden een groots opgezet promotiefeest gaf om zijn nieuwste cd - toen nog als The Sleepy Jackson - aan de samengetroepte media voor te stellen besloot hij in laatste instantie om niet op te treden, en de muzikanten in zijn band komen en gaan als de dagen van het jaar. Empire of the Sun, een nieuw nevenproject met Nick Littlemore van het elektronicaproject Pnau, borduurt verder op het breed uitgemeten, haast theatrale geluid van zijn The Sleepy Jackson, en versterkt die met het soort eighties pop dat spontaan herinneringen oproept aan de soundtracks van Top Gun, Miami Vice en - guilty pleasure alert! - Dirty Dancing. Voor wie de dertig gepasseerd is, ligt de nostalgie dus breed uitgemeten op loer, maar dat hoeft jongere luisteraars niet af te schrikken. Net zo goed hoor je op Walking on a Dream immers echo's van het Welshe elektropopgezelschap Neon Neon en het hippe Franse Phoenix. Goede verstaanders weten daarmee genoeg: Empire of the Sun grossiert in luxueus gearrangeerde popmuziek waar synthesizers en keyboards steevast de overhand halen, en de teksten balanceren op de slappe koord tussen kitsch en ironie. Het is muziek die je zin geeft om in een auto met open dak langs het strand van Los Angeles te rijden en naar de meisjes te kijken die er, rollerskates nog aan de voeten, een ijsje eten. U denkt er uiteraard het uwe van, maar ik vind het een pluspunt als een cd dat soort associaties oproept. Ter vergelijking: de jongste Metallica doet me aan de strafkampen van het ijzige Siberië denken.
HOOGTEPUNT: 'Walking on a Dream'
12. Liefde Op Doorreis (THE SCENE)
Nieuw werk van The Scene leek lange tijd onwaarschijnlijker dan een Nirvanareünie. Maar kijk: de tijd heelt alle wonden en nu heeft de band voor het eerst in elf jaar weer een uitstekende cd uit. Dat is niet alleen de verdienste van Thé Lau - een zanger die met zijn zorgvuldig geboetseerde songteksten evenveel aan het Nederlands toevoegt als virtuoze prozaschrijvers als Claus, Brouwers of Herman de Coninck. Ook de rest van de groep draagt bij tot de onmiskenbare Scene-sound - die sensuele, vrouwelijke bas, dat hakkelende gitaargeluid, die soms haast als clavecimbel klinkende keyboards- zodat de songs telkens weer op grandioze wijze openbloeien tot het haar op je armen recht overeind komt staan. Hét krop-in-de- keel-moment van Liefde op doorreis is het hartverscheurend gezongen 'Vrouw', waar het refrein ("Waar ik meer dan van muziek / Meer dan van mezelf / Waar ik het meest van hou / Is de grootse eenzaamheid / De eenzame grootsheid van een vrouw") van die aard is dat je er wel héél stil van wordt. Thé's stem trekt, briest, mijmert en huilt met alle buffers naar beneden, boort dwars naar de essentie. Ook 'Kind van de maan' en 'Nachttrein' zijn Scene-classics in wording en voelen onmiddellijk vertrouwd aan zonder dat je het gevoel hebt dat je ze al een keer eerder hebt gehoord. 'Tijd', een pianonummer waar een krassende viool eelt van de ziel krabt, geeft bovendien aan dat de groep ook buiten de eigen lijntjes durft te kleuren. En voor wie stelt dat covers altijd minder zijn dan het origineel, vertolkt The Scene met de tongue stevig in cheek 'Sterven op de planken' van Clouseau. Alleen zetten Thé Lau en zijn reisgezellen het nummer zodanig naar hun hand dat je geen moment denkt aan Koen of Kris. Waarvoor dank, overigens.
HOOGTEPUNT: 'Vrouw'
11. The Fall (NORAH JONES)
Het Britse maandblad Q omschreef The Fall onlangs als de Norah Jones-cd voor mensen die niet van Norah Jones houden. Dat is er wat over, al geeft het wel meteen aan dat de zangeres op haar vierde cd een andere richting is ingeslagen. Niet dat ze plots harde rock is gaan maken, wat gezien haar gastrollen op cd's van Mike Patton en Foo Fighters overigens best gekund had, maar ze opteert dit keer toch voor een iets grofkorreliger, minder gestroomlijnd geluid. Het gevolg van de breuk met Lee Alexander - bassist in haar groep, co-auteur van nogal wat nummers en producer van Not Too Late - kennelijk. En meteen heeft ze een heel nieuwe band om zich heen geschaard. Daarbij Marc Ribot en Smokey Hormel, twee gitaristen die eerder bij Tom Waits aan de slag waren. En Jacquire King, die als producer mee verantwoordelijk was voor Waits' Mule Variations. Een van de nummers is geschreven samen met Ryan Adams en op 'Stuck' roept ze de hulp in van de Amerikaanse indierockgroep Okkervil River.
Op basis van al die referenties zou je kunnen denken dat de nieuwe Norah Jones rammelt als een knikker in een koperen ketel, maar zo extreem wordt het nooit. Wel trekt de zangeres een donkere sound op die het organische geluid in herinnering roept waar Daniel Lanois het patent op heeft. Daardoor krijgen nummers als 'Light As A Feather' en 'Back To Manhattan' - twee van de sterkste passages bovendien - een haast filmisch karakter, doen ze een stuk rauwer aan dan wat je de laatste jaren van Norah Jones gewend was geraakt.
Maar aangezien haar glasheldere, als altijd in weemoed gewikkelde stem nog niets van haar charme verloren heeft, hoeft dat zelfs voor de boekhouders van haar platenlabel Blue Note geen slecht nieuws te zijn. Norah Jones heeft ongetwijfeld haar beste cd gemaakt sinds Come Away With Me. Dit is easy listening, maar met een randje eromheen waar je je zo aan kan snijden.
HOOGTEPUNT: 'Back To Manhattan'
10. Working On A Dream (BRUCE SPRINGSTEEN & THE E STREET BAND)
Zelden zo'n lelijke hoes gezien als deze hier, maar gelukkig gaat er achter dat beeld een ambachtelijke, bij momenten zelfs opgewekte popplaat schuil. De kritiek op het wanbeleid van Bush was een van de centrale thema's op Magic, maar heeft op Working On A Dream plaats gemaakt voor een meer optimistisch geluid, ook al zijn beide platen in nagenoeg dezelfde periode opgenomen. Niet dat daar iets van te merken valt, want nergens voelen de nummers als haastwerk aan, en zelfs die paar passages die bij een eerste kennismaking wat zwakker lijken, zoals 'This Life', laten zich na een paar luisterbeurten toch van hun fraaiste kant zien. Als Springsteen zich tot een bluesman ontpopt scheurt zijn mondharmonica door de song als een stoomtrein door het weidse Amerikaanse landschap.
Het is geen drastisch nieuw geluid, maar de songs staan als een huis. Springsteen schrijft met een bijna wiskundige precisie over de liefde, maar dit keer trekken zich geen donkere wolken samen boven de relaties van zijn protagonisten. Er is hoop, en de angsten en twijfels die veel van zijn verhalen zo vaak overschaduwen worden voor een keer aan de kant geschoven door het besef dat er altijd wel ergens een troost te vinden is. 'Working On A Dream' - een popsong waaronder een echt gospelnummer schuilgaat - illustreert dat perfect. Het ingehouden 'Tomorrow Never Knows' - geen Beatlecover - is dan weer aanstekelijke country met een tokkelende banjo die dialogeert met een sierlijke viool. 'Life Itself' is nog zo'n nummer dat bij de eerste kennismaking niet in zijn kaarten laat kijken. Het ontplooit zich met een achterstevoren gesamplede gitaarsolo tot iets wat je nooit eerder op een Springsteenplaat hebt gehoord. Nog beter is 'Queen Of The Supermarket', een in melancholie gewikkelde lovesong voor het onbereikbare meisje aan de groenteafdeling van de supermarkt. Het politieke engagement mag dan weg zijn, maar de ambachtelijke singer-songwriter, de gedreven verhalenverteller, de beeldrijke poëet scoort op alle fronten.
HOOGTEPUNT: 'Queen Of The Supermarket'
9. The Sleeper (THE LEISURE SOCIETY)
Guy Garvey van Elbow laat geen gelegenheid passeren om The Leisure Society lof toe te zwaaien, en in de Engelse pers wordt dit gezelschap uit Brighton consequent het Britse antwoord op Fleet Foxes genoemd. En daar is wat van aan, want op de eerste cd grossiert de groep in een herfstig soort melancholie waar je niet onverschillig bij blijft. The Sleeper is immers tot aan de rand gevuld met weemoedige, veelal akoestische muziek die een perfecte soundtrack vormt bij het verkleuren van de bladeren. Het zijn liedjes waarbij je de ochtenddauw op de bladeren voelt hangen, en in de verte het geluid van afbrekende takken hoort. Pastorale nummers als 'Are You Happy' en 'The Darkest Place I Know' zijn van het type dat niet de behoefte voelt om haast te maken. Ze slenteren langzaam voorbij, mijmeren wat in zichzelf, en bedienen zich van belletjes, melodica, piccolo, viool en duimpiano. Dat instrumentarium geeft meteen aan dat The Leisure Society afwijkt van wat vandaag doorgaans als popmuziek wordt beschouwd, en dat is geen toeval: het referentiekader van de groep situeert zich eerder in de folk van de Amerikaanse westcoast uit de jaren zestig, dan met hedendaagse invloeden. Herfst voor gevorderen, quoi.
HOOGTEPUNT: 'A Matter Of Time'
8. Lungs (FLORENCE & THE MACHINE)
Een blik op de hoes en je merkt al dat Welsh het niet begrepen heeft op de ladrocktraditie die in Groot-Brittannië al jaren populair is. Haar pose lijkt zo uit een klassiek schilderij gelicht, met neplongen en het hoofd omgeven door bloemen. Aan drama geen gebrek, kortom, en ook in de nummers schuwt Welsh de grote emoties niet. Lungs werd geschreven en opgenomen toen Welsh en haar partner net uit elkaar waren (ze hebben het onlangs weer bijgelegd), en de cd vormt een kroniek van het verwerkingsproces. "I'm gonna drink myself to death'", klinkt het in 'Hurricane Drunk', en even daarvoor was ze ook al tot de conclusie gekomen, dat "A kiss with a fist is better than none". Welsh loopt niet hoog op met compromissen, en dat hoor je ook in haar muziek. Songs als 'Dog Days Are Over' en 'I'm Not Calling You A Liar' zijn weelderig gearrangeerd, bedienen zich van mandoline, nerveus handengeklap, dramatische drums, klaterende ukelele's en overweldigende piano's. Je voelt, kortom, dat er een sterke persoonlijkheid aan het werk is. Eentje die, gesteld dat de tweeëntwintigjarige zangeres er de tijd voor zal krijgen, het potentieel heeft om haar eigen niche te vinden. Ze heeft karakter, eigenheid, en een onmiskenbaar gave om rijke, ingenieus vormgegeven melodieën te verzinnen die verder gaan dan een strak drie-akkoordenschema. Een artieste om van te houden.
HOOGTEPUNT: 'Dog Days Are Over'
7. To Lose My Life (WHITE LIES)
Voor een tijdsvak dat volgens nogal wat waarnemers nauwelijks goeie muziek heeft voortgebracht blijven de jaren tachtig opvallend actueel. Niet alleen blijken de hits uit die periode tijdlozer dan eerst gedacht, maar ook - en dat is nog belangrijker, eigenlijk - inspireren ze alsmaar nieuwe generaties muzikanten. Ook die van White Lies, een trio uit het Britse Chiswick dat nogal wat raakpunten vertoont met de donkerste new wave zoals die destijds door bands als The Cure, The Sound en Echo & The Bunnymen werd bedacht. Op To Lose My Life - de titel is geen toeval - klinkt de groep bij momenten behoorlijk morbide, al slagen de prille twintigers er bijzonder goed in om die zwartgalligheid te vertalen naar sprankelende melodielijnen die zich al tijdens de eerste beluistering tussen de oren nestelen. Somber en donker dus, maar zeker niet zonder dynamiek. Bovendien staat er niet één zwakke song op de cd, én klinken White Lies alsof ze het menen. Altijd een pluspunt.
HOOGTEPUNT: 'To Lose My Life'
6. No Line On The Horizon (U2)
Er werd verandering beloofd. Nadat U2 met All That You Can't Leave Behind en How To Dismantle An Atomic Bomb alle klassieke elementen uit haar eigen evolutie opnieuw tot een herkenbaar geheel had gesmeed, moest de dertiende opnieuw een sprong in het ongewisse worden. Een stijlbreuk die, als het even kon, even radicaal was als The Unforgettable Fire en Achtung Baby destijds. Liefst vijf jaar heeft de Ierse groep eraan gewerkt, maar het moet gezegd: No Line On The Horizon is het soort plaat zoals het Ierse viertal er nooit eerder een heeft gemaakt. Rauwer. Rafeliger. Directer, ook. Geen wonder dus dat zelfs Bono in liefst drie nummers letterlijk ('let me in the sound') vraagt om hem op te nemen in dat nieuwe geluid. Wat ook opvalt bij die eerste beluistering: het spervuur van ideeën waar je mee gebombardeerd wordt. Natuurlijk verhoudt U2 zich tot de klassieke rock-'n'-roll zoals een breedbeeldtelevisie tegenover een draagbaar zwart-wittoestel staat. Als de groep de gitaren aanspant en de volumeknop opendraait wordt elk nummer een statement en elke zin een slogan. U2 verstaat de kunst om een groots, dynamisch geluid uit te bouwen dat zich ontplooit over de breedte van een voetbalstadion zonder dat er bombast aan te pas komt. Zelfs wanneer de groep bigger than life wordt hoor je er nog steeds een hart in slaan, voel je dat de muziek niet door machines wordt gemaakt, maar door vier mannen van vlees en bloed met een ongeneeslijke, haast kinderlijke liefde voor rock-'n-roll. Een nieuw ijkpunt in de carrière van een groep die te rusteloos is om louter op haar eigen verleden te teren.
HOOGTEPUNT: ‘Magnificent’
5. Two Suns (BAT FOR LASHES)
Mocht Sinead O'Connor denken dat ze Kate Bush was en bij The Cure spelen, dan zouden haar platen vast verwantschap vertonen met die van Bat For Lashes. Allemaal zijn het namen waar Khan mee vergeleken wordt, maar de waarheid heeft haar rechten: de dertigjarige Britse zangeres heeft een volstrekt uniek, persoonlijk geluid, en eigenlijk doen die referenties afbreuk aan haar talent. Zowel Thom Yorke, Editors, Robert Smith als Kanye West dragen haar op handen, en inderdaad: Khan trekt de luistaar een sprookjeswereld binnen die zich ver buiten de alledaagse werkelijkheid ophoudt. Khans songs zijn opgebouwd rond middeleeuwse melodieën, maar worden omkaderd door moderne electronica en de occasionele housebeat. Precies die originele, verfrissende combinatie blijft verrassen, en maakt van 'Glass', 'Moon And Moon' en de onweerstaanbare single 'Daniel' zo'n hemels sensuele passages. Two Suns is als een sprookje dat je elke avond voor het slapen gaan voorgelezen wil krijgen. Met het nachtlampje aan en de volle maan door het vensterraam.
HOOGTEPUNT: ‘Daniel’
4. Everything Is New (JACK PENATE)
De interessantste artiesten zijn doorgaans degene die het lef hebben om te blijven verrassen. En dat is wel het minste dat de piepjonge Brit -vierentwintig, pas- kan stellenis dat hij de titel voor zijn tweede cd goed gekozen heeft. Op Everything Is New heeft hij zijn huid als klassieke singer/songwriter afgeworpen en zichzelf heruitgevonden als een eclectische popmuzikant die optimistische, levenslustige teksten koppelt aan bruisende dance, gelaagde house en opzwepende afrobeat. Nummers als ‘Be The One’ en ‘Tonight’s Today’ vieren het leven zonder dat je daarbij visionen van Up With People voor de ogen flitsen. ‘Let’s All Die’ -waarbij het finale ogenblik feestelijk verwelkomd wordt met ratelende drums en een mariachi brassband- wekt zowaar de indruk dat de dood iets is om naar uit te kijken. Dit is het geluid van een artiest die -met de batterijen helemaal opgeladen- alle balast heeft afgegooid en zichzelf gevonden heeft. e moest het horen om het te geloven.
HOOGTEPUNT: ‘Everything Is New’
3. Riceboy Sleeps (JONSI & ALEX)
De laatste cd van Sigur Ros - degene met de titel waar u en ik inmiddels al een jaar onze tong over breken - was met voorsprong de meest extraverte tot nog toe, en het contrast met de negen, goeddeels instrumentale composities die Jonsi Birgisson en zijn partner Alex Somers hier samenbrengen kan bijgevolg nauwelijks groter zijn. Veel meer dan wat strijkers, een paar tikjes piano, een zucht harmonium en een mespuntje woordenloze zang is het niet. Verwacht geen refreinen, geen strofes, geen hooks die zich in je hoofd nestelen. In plaats daarvan krijg je analoge ruis, het gezoem van dieren, en melodieën die zich openplooien met de snelheid van een opkomende zon. Muziek die er eigenlijk geen is, kortom, maar niettemin een enorme impact heeft op de sfeer in de kamer. Het voelt aan als de soundtrack bij een abstracte droom, de muziek bouwt spanningen op en zwakt ze weer af, kabbelt verder als een rustige zee, en suggereert tegelijk de weidsheid van al die prachtige, eindeloze groene landschappen waar IJsland zo bekend voor staat. Of je deze nummers vaak op de radio zal horen, valt te betwijfelen. Maar - in al hun discretie - zijn ze stuk voor stuk indrukwekkend.
HOOGTEPUNT: ‘Boy 1904’
2. In This Light And On This Evening (EDITORS)
Niemand zou het Editors kwalijk hebben genomen mocht de groep op haar derde cd precies hetzelfde hebben gedaan als op de vorige twee. Het zag er niet naar uit dat de formule was uitgewerkt. Toch keert het Britse viertal op In This Light and on This Evening haar verleden de rug toe, en manifesteert Editors zich hier als de eerste gitaargroep zonder gitaren. In plaats daarvan: synthesizers en drummachines. Dat lijkt heel drastisch - en dat is het ook - maar al na een paar luisterbeurten voelt de ommezwaai minder extreem aan dan je zou denken: vooreerst omdat de stem van Smith écht wel een ankerpunt vormt, maar ook omdat de muziek ondanks dat veranderde instrumentarium even donker en gepassioneerd is gebleven. Op de koop toe zijn de songs stuk voor stuk van die aard dat ze je bij het nekvel grijpen. De dramatiek in Smith's stem wordt door de kille, vaak wat minimalistische keyboardriedels nog extra onderstreept. De gitzwarte, onheilspellende titelsong waarmee de cd wordt aangesneden geeft bovendien aan dat de groep niet voor de makkelijkste weg heeft geopteerd. Een cd die discussie oproept, meningen verdeelt, en wellicht even passioneel geliefd als gehaat zal worden. Zoals dat altijd gaat bij muziek die er echt toe doet. Editors hebben net de beste, meest compromisloze muziek uit hun carrière gemaakt, en dit is de plaat die van de groep een stadionact zal maken. Zeg dat ik het u gezegd heb.
HOOGTEPUNT: ‘Bricks And Mortar’
1. Truelove’s Gutter (RICHARD HAWLEY)
Richard Hawley lijkt iemand uit een andere tijd. Een crooner die schaamteloos de kaart van de romantiek trekt, zijn stemmige songs somber inkleurt met strijkers, piano en een spaarzaam aangeslagen gitaar, en zingt met een weemoed die herinnert aan het beste van Frank Sinatra, Roy Orbison en Scott Walker. Truelove's Gutter - net als de titels van zijn vorige cd's een verwijzing naar een plek in zijn thuishaven Sheffield - is opnieuw een huiveringwekkend mooie plaat, vol verstilde songs waarin zijn warme baritonstem onveranderlijk op het voorplan staat. De voortschrijdende opener 'As The Dawn Breaks', maar ook de zwarte hoes waarin Truelove's Gutter verpakt zit, geeft aan dat het om zijn donkerste, meest in zichzelf gekeerde cd tot nu toe gaat. De songs - mijmeringen over (bijna) overwonnen verslavingen, verloren liefdes en nieuwe vrienden - dringen zich niet op, maar vragen in alle discretie je aandacht. Ze fluisteren eerder dan ze roepen en nemen rustig de tijd om hun punt te maken. 'Don't You Cry' en 'Remorse Code' flirten zelfs met de tienminutengrens, maar duren toch geen seconde te lang. 'Soldier On' - weer zo'n song waarvan je nekhaar overeind komt te staan - barst halverwege open met breed uitwaaiende gitaren. Maar zelfs dan verliest Hawley de melodie niet uit het oog, blijft het laatste akkoord nazinderen zoals de alcohol in een glas vodka dat je in een slok achterover hebt geslagen. Nog een Krop In De Keel-Moment: 'For Your Lover Give Some Time', een verstild verhaal waarin Hawley zich voorneemt om de drank en de sigaretten te laten voor wat ze zijn, in de hoop daarmee zijn geliefde terug te winnen. Op de achtergrond hoor je een treurende cello, zucht een orgeltje en kijkt een viool de andere kant op. Dit wordt geen happy end. Richard Hawley heeft met Truelove's Gutter de cd van zijn leven gemaakt.
HOOGTEPUNT ‘As The Dawn Breaks’




















Bedankt, heel wat niewe namen onthouden om te ontdekken
BeantwoordenVerwijderen