zondag 29 november 2009

Band Aid: een pleister op de wonde



















Dit weekend is het precies vijfentwintig jaar geleden dat in Groot-Brittannië 'Do They Know It's Christmas?' werd uitgebracht. Het blijft tot vandaag één van de meest succesvolle singles aller tijden, en de song dateert uit een periode dat popsterren nog echt tot de verbeelding spraken. Enorme kapsels. Schoudervullingen. Opzichtige make-up. In de jaren tachtig keken ze niet op een exces meer of minder. Boy George was erbij. En George Michael . Simon LeBon gaf present. De jonge Sting nam een mysterieuze houding aan die hem eigenlijk nog interessanter maakte dan hij sowieso al was. Paul Weller keek wat nors. De meisjes van Bananrama waren frisse girls next door. De piepjonge Bono trok alle aandacht naar zich toe. En Paul Young  -een man waar je niet omheen kon,  toen- nam het leeuwenaandeel van  het nummer voor zijn rekening. Ik kan niet zeggen dat ik het een fantastische song vind, -de emo druipt eraf, wat overigens ook de bedoeling was, want er moest tenslotte geld ingezameld worden- maar telkens ik op een onbewaakt moment 'Do They Know It's Christmas?' hoor sluipt er een krop mijn keel binnen. 
Een  rationele verklaring heb ik daar niet voor, tenzij misschien dat het nummer me terug neemt naar een tijd dat ik muzikanten nog echt als echte helden beschouwde. En dat ik het on-ge-lo-fe-lijk vond dat dit bonte, kleurrijk gezelschap samen in dezelfde studio stond. Die wereld -toen magisch en onbereikbaar- is de voorbije twintig jaar mijn thuis geworden. Quasi iedereen die toen meezong heb ik intussen geïnterviewd, en zonder uitzondering bleken het minzame, grappige en intelligente mensen die zichzelf op grandioze wijze konden relativeren. Alleen ben ik onderweg ergens de reflex kwijtgespeeld om onder de indruk te zijn van hun bekendheid. Het fenomeen beroemdheid doet me niks meer, laat staan dat ik erdoor geïntimideerd raak. Dat is een beetje jammer, omdat ik het best wel plezierig vind om te bewonderen. Maar tegelijk heeft die bewondering plaats gemaakt voor een diep respect. In die mate zelfs, dat ik me vreselijk stoor aan het feit dat popsterren uit de jaren tachtig altijd als een roedel opportunisten wordt afgeschilderd. 
Natuurlijk: groepen als Duran  Duran en Spandau Ballet liepen in exotisch aandoende videoclips te koop met hun rijkdom en de decadente levenstijl die dat met zich meebracht. En inderdaad: rocksterren schaamden zich niet voor de hallucinante bedragen die ze maandelijks op hun rekening kregen gestort. Ze pronkten met dure sportwagens, een yacht in de haven, buitenverblijven in idylische uithoeken van de wereld, en kickten op dat geblondeerde fotomodel aan de arm. Het wàren dan ook de gouden jaren van de platenindustrie. De komst van de cd zorgde ervoor dat het platenkopend publiek zonder nadenken haar hele verzameling verving door precies dezelfde collectie op die nieuwe, onverslijtbaar geachtte geluidsdrager. Platen die zichzelf al lang terug hadden verdiend gingen nu -tegen peperdure prijzen, bovendien- opnieuw met honderdduizenden tegelijk de deur uit. Om kort te gaan: de winstmarges van platenmaatschappijen bereikten historische hoogtes.
Alleen: de jaren tachtig staan niet alleen synoniem met geld en carrièrisme, maar ook met engagement en solidariteit. Dat is in niet geringe mate de verdienste van Bob Geldof. Geldof, als zanger van The Boomtown Rats in ‘84 alweer goed op weg om een has-been te worden, was geshockeerd toen hij op het nieuws van de BBC een beeldverslag zag over de honger in Ethiopië, waar op dat moment al een miljoen mensen aan waren gestorven. Hij belde Midge Ure van Ultravox, die de beelden ook gezien had. En samen schreven ze in zeven haasten ‘Do They Know It’s Christmas?’, een benefietplaat die niet meteen de ambitie had om een artistiek meesterwerk te worden, maar vooral veel geld moest opbrengen. Dat kon alleen als de grootste popsterren van het moment er belangenloos aan mee zouden werken. Het resultaat was indrukwekkend. Nooit eerder hadden zoveel Britse popsterren eenzelfde studio gedeeld als die 24ste november. Tegelijk werd de videoclip gedraaid, en de ochtend nadien vertrok Geldof - met wallen onder de ogen waar die uit Amsterdam nog een puntje aan konden zuigen- naar de BBC om het plaatje te promoten. Een week later waren er al een miljoen van verkocht. Even ontstond er controverse toen bleek dat de Britse regering de tax die ze op de verkoop van het plaatje inde niet wilde afstaan, maar Geldof bespeelde de publieke opinie dusdanig - “Thatcher verdient geld aan de honger in Afrika”- dat ook de iron lady door de knieën ging.
‘Do They Know It’s Christmas?’ bleef vijf weken op één staan en bracht 7.5 miljoen euro op. Nieuwe versies van het nummer deden daar de jaren nadien een paar miljoen bovenop. In de Verenigde Staten riepen Michael Jackson en Lionel Ritchie een Amerikaans equivalent in het leven: ‘We Are The World’ van USA For Africa . Beide initiatieven mondden de zomer nadien uit in Live Aid, het drukstbekeken moment in de televisiegeschiedenis, en nog eens goed voor 220 miljoen euro. Al het geld ging naar hongerbestrijding in Afrika. Nadien volgden benefieten van de meest uiteenlopende projecten. Om Amerikaanse Boeren die het moeilijk hadden weer op de rails te krijgen (Farm Aid) Ierse jongeren een baan te bezorgen (Self Aid ) de wanpraktijken van het Apartheidsregime onder de aandacht te brengen (Artists United Against Apartheid ) of Amnesty International te steunen (de Conspiracy Of Hope tournee). Allemaal het gevolg van twee Britten die op een avond televisie zaten te kijken, en besloten actie te ondernemen.  
Bob Geldof werd na Live Aid  zowat heilig verklaard. En ik geef toe: wat mij betreft had hij de nobelprijs voor de vrede verdiend, maar popsterren de vloeken als ketters, en zich slecht scheren maken kennelijk geen aanspraak op dat soort onderscheidingen, ongeacht hoeveel levens ze redden. Zelf lag hij er ook niet wakker van. Meer nog, een paar jaar later bracht Geldof een pracht van een folkplaat uit - The Vegetarians Of Love - waarop hij in 'The Great Song Of Indifference'  zijn eigen status op de korrel nam:
I don't care if the third world fries/ it's hotter there, i'm not surprised/ I can watch whole nations die/ and i don't care at all

Alleen: intussen is het weer prijs in Ethiopie. Vijfentwintig jaar na Band Aid sterven er opnieuw kinderen door gebrek aan voedsel, en afgelopen woensdag was Geldof -hij weer- in het land om te kijken wat er gedaan kan worden. Ik vraag me af waar het engagement van de huidige generatie popsterren zit. Goed: ze zien er een stuk gewoner uit. En sympathieker zijn ze ook, vast. Maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ze toch vooral met zichzelf bezig zijn. Als ze straks in Afrika weer een benefiet op touw willen zetten, kunnen ze misschien toch maar snel een paar eighties-iconen bellen. Want die kenden hun wereld: dikke auto in de garage, een lachwekkend kapsel tot ver onder de nek. Maar niettemin: met het hart op de juiste plaats.


0 reacties:

Een reactie plaatsen